Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

H ij woonde op, zooals gezegd, goed gemeubileerde kamers. Veel rood pluche. Een bescheiden lucht van bloemkool. Een piano, die spoedig wel eens gestemd zou worden. Een hier en daar versleten, maar waar het niet versleten was, nog zeer mollig vloerkleed. Zeven stoelen, waarvan drie bruikbaar. De andere dienden meer voor blikvangers. En er was zelfs een schrijfbureau met veel koperbeslag en een boekenkast, waarop een vaas met wuivende

pauweveeren.

De slaapkamer had één raam minder, dan de zitkamer, die er twee had. Het was een helder kamertje met een withouten waschtafel en een ijzeren ledikant, waarin een matras met springveêren, waarvan eenige stuk. ■—• Als Bernard Trentelaer zich 's nachts van de eene zij op de andere zij wentelde, — de jeugd droomt onrustig, — klonk er een soort schot, dat hem den eersten keer zonderling verontrustte, -—■ een lafaard was hij niet, • maar bij onderzoek de kranke ressort bleek te zijn, die revolteerde. —■

Zijn hospita?

Waarom haar beschreven? Zij was een vrouw van haar woord, die hem wekte, als het tijd was, en een guller pot kookte, dan de keukenmeid thuis dat onder leiding van tante Palmyra deed. Soms vond Bernard een haar in de soep en soms ook meende

Sluiten