Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als Bernard Trentelaer inderdaad niet in de stad was, maar naar Amsterdam of het Haagje zou zijn getogen, om daar de gelden te verteren, welke zijn tante hem zoo mild deed toevloeien. Zooiets vermoedde Wim Kluizenaars ook, al zou hij vroeger nooit met deze mogelijkheid gerekend hebben.

De belangstelling voor dit boekje zou er in alle geval zeer door worden vergroot, als we u den jongen Trentelaer konden toonen, met koortsige oogen en handen vol bankbiljetten, gezeten aan de met zorg gepedicuurde voeten eener uitheemsche Jezabel, of dronken zwierend in slechtbefaamde wijken. Doch we willen noch tante Palmyra, noch dit geschrift een zoo gemakkelijke triumf gunnen.

Bernard Trentelaer deed niets van dit alles. Wat hij dan wel deed? Hij deed wèl!

Reeds vroeger was hij er op uit getogen. Onmiddellijk na het souper van vier boterhammen en een spiegelei met spek, waarbij hij drie koppen thee gedronken had, was hij zich gaan kleeden in een zeer afgedragen colbertje, dat nog van zijn oom was en dienen moest, als hij eens practisch zou gaan werken. Daar zijn schoenen maar heel zelden werden gepoetst, hield hij die maar aan, hulde zich in een onpersoonlijke regenjas, trok zijn hoed over zijn oogen en stommelde de donkere trap af en was al beneden, toen hij bemerkte, dat de portefeuille,

Sluiten