Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarin zijn weldaden staken, nog in den binnenzak zat van zijn pas afgelegd costuum. Dus stommelde hij de trap weer op, herstelde het verzuim, stommelde de trap weer af en begaf zich op weg.

Buiten Delft, op een eenzaam landpaadje, haalde hij eens diep adem en dacht na.

De nood der boeren had zijn jonge hart getroffen. Dus stapte hij de eerste de beste boerderij binnen, waar hij een boer vond, die bij den haard een pijpje zat te rooken, doch blijkbaar vond, dat Bernard Trentelaer, zooals hij zich had toegetakeld, een zeer ongunstigen indruk maakte en die hem dies met opgeheven pook de deur wees, waarna hij ging kijken, of de hofhond nog leefde.

Met aarzelende knieën zette Bernard zijn weg voort en ging een herberg binnen, omdat hij begreep, dat de nood niet alleen soms breinen krenkt, maar ook wel menschen naar kroegen drijft.

„Goeden avond, goede menschen," zei hij. De waard knikte eens. De postbode, die een drukwerk zat te lezen, nam zijn glas ter hand om half er door en half erover heen naar den binnengekomene te loenschen. Twee notabelen van het dorp bespraken de maatregelen der regeering. Aan een tafeltje apart maakte het zoontje van den herbergier zijn sommen.

Bernard bestelde één koffie en betaalde met een briefje van honderd, waarvan de waard een gulden mocht afhouden.

Sluiten