Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het bleef toen een heele minuut stil. De notabelen zwegen. De jongen staarde over zijn sommen Bernard aan. De postbode ontrukte het glas aan zijn lippen, zoodat hij zijn twee oogen vrij had, en knikte toen heel wijs met het hoofd. De waard stond, als versteend, te denken.

Deze zeer langwijlige zestig seconden benauwden Bernard bovenmate. Hij zocht een zakdoek en vond er een, een mooie met een opengewerkt monogram en geschulpten rand, waarmeê hij zijn voorhoofd afveegde, om daarna met een gebiedend gebaar den waard te beduiden, dat hij de gloeiende kolomkachel temperen zou.

En toen wisten allen in de gelagkamer, als bij ingeving, dat dit zonderling gemanteld en ruim gebroekt jongmensch, dat honderd gulden-biljetten, als kleingeld, op zak had, en negentig cent fooi gaf, geen voortvluchtig kantoorbediende was, maar waarschijnlijk een van die zonderlinge zoontjes van rijke mannen, die zich heeren noemen, zooals er meer tijdens den oorlog tegen de verdrukking in of met de verdrukking meê gegroeid waren om na den oorlog vlijtig door te groeien.

Met een gezicht, zoo onverschillig, als was het geschilderd, gaf de waard Bernard Trentelaer zijn honderd gulden terug.

„Kan niet wisselen," zei hij kort. ,,La-maar."

Sluiten