Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De homo economicus was eerst nog even de uit Engeland geïmporteerde butler, die ontbeet met louter hompen kaas, doch werd toen weer de langzaam ontwakende meneer Trentelaer, die al zijn gouden tanden bloot gaapte, doch spoedig gekleed was, als een deftige oom, die om elf uur hartelijk zijn neef Bernard begroette, die voor de gelegenheid uit Delft was overgekomen en wien de vermoeienissen van de reis op het gezicht te lezen stonden, welk gezicht nog langer geworden was, dan het reeds was van nature, daar hij sinds eenige maanden in Delft zijn vriend Willem miste, die ergens in Rotterdam bediende geworden was in een boekhandel. De studie was hem over het hoofd gegroeid en geruimen tijd reeds hoorde hij in de machines geen schoone, Beethovensche muziek en in Beethovens muziek geen machines meer. En hij had de hoop opgegeven nog ooit idealen te benaderen, die den vorm van snel wentelende vliegwielen hadden. Zoo werd hij, — omdat hij zijn vader en zichzelf niet tot last wilde worden, — bediende in een boekwinkel te Rotterdam, zooals we reeds zeiden en werd door zijn vriend Bernard bijster hard gemist.

Het is voor den homo economicus geen aangename taak, op een gróóten dag een zeer goeden verwant te begroeten, als deze verwant geenerlei begrip toont voor de grootte van dien dag. Dus was

Sluiten