Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

D ien avond was er een groot en deftig en vooral druk bezocht feest in den huize Trentelaer. Alle vensters waren verlicht, maar het was donker in den kelder.

Voor de deur stond een lange, lange rij automobielen, — „auto's" zou voor deze slanke, sierlijke en welgelakte voertuigen niet het juiste woord geweest zijn, — en uit al deze automobielen was de homo economicus gestapt, maar in den kelder was hij niet.

Tante Palmyra was beminnelijk, — maar aan den kelder dacht ze niet, — en meneer Trentelaer was deftig, maar woordkarig. Neef Bernard zei heelemaal niet veel. Hij keek van het voldane gezicht van den burgemeester naar het voldane gezicht van den wethouder van sociale zaken en vervolgens naar het voldane gezicht van den braven hoofdredacteur, die speechte, of het gedrukt moest worden. En hij zag maar één gezicht en moest geeuwen, maar liet het voor tante Palmyra en voor den spiegel, waar hij tegenover zat. — Doch niemand dacht aan den kelder.

Er werd veel gepraat. Men wees er op, dat er vele en velerlei Tregeco-huizen waren, maar dat het pas geopende „de kroon zette" op al, wat was en is en komen zou. En toen dit een stuk of vijf keer herhaald en onderschreven was, stond een andere, iets

Sluiten