Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het geweten heeft maar een heel smal gezicht en zulke bleeke wangen, dat men zich soms benauwd afvraagt, of het nog wel lang mee zal kunnen. Het slaapt nooit, gaat van deur tot deur, klopt hier, belt daar, is soms een waarschuwende vinger, soms een berichtje in de krant, vaak een rouwbrief, soms een mensch, soms een torenklok, maar altijd een engel, hoe smal ook van gezicht, die het goed met de menschen en hun zielen meent.

De eerste maanden na tante Palmyra's dood en pompeuze begrafenis waarde deze engel vaak rond om en in de woning van meneer Trentelaer, maar deze heer telde, zij het met een bedrukt gemoed, nog steeds schapen. Met neef Bernard daarentegen viel te praten. Nooit klopte het geweten tevergeefs aan zijn raam. Het sprak hem over zijn vriend en over wat die allemaal gezegd had over armoe en rijkdom, over werkgevers, die werk stelen en werknemers, die hun werk weg moeten geven voor een schrale boterham.

Nu Bernard weer thuis was, — hij had er geen spijt van, daar noch de wijsheid der machines noch de vroolijkheid van den leenenden Menartje hem meer lokten en hij in Delft niets deed dan zijn vriend Willem missen, — had hij gemeend, dat zijn oom hem nu zoo langzaam aan wel inwijden zou in de geheimen van het Tregeco-concern. Het geweten

Sluiten