Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ergens in het Gooi, waar het Gooi nog het Gooi en geen uitlooper van Amsterdam is, in een klein en knus hotelletje en genoot van den zomer, als was hij nooit een eenzelvig jongeling geweest en als had hij nog nooit met droeven blik door schoolramen naar trekvogels gekeken.

Het was verrukkelijk weer en de bosschen geurden, als wierookvaten, om het eens op een barokke wijs te zeggen. En de eigenaar van het hotel had een dochter, die beeldschoon was en liefelijk van gemoed. Doch dit alles wist Bernard niet, althans aanvankelijk niet.

Wat hij aanvankelijk wel wist, was, dat er in de eetzaal, de serre, de gang, de vestibule en waar niet al, portretten van verschillende moderne meesters hingen, welke allen dezelfde beeldschoone juffrouw voorstelden, maar met telkens een anderen kraag, een anderen slag in het haar en een anderen tint. En op al deze portretten, althans op wat al deze portretten voorstelden, werd Bernard op zijn stille, ja, toch altijd nog wat melancholieke manier verliefd. — Zoo moet Van Beethoven zijn ,,ferne Geliebte" bemind hebben. —

En als hij door het bosch liep, herinnerde de rijkdom van geuren hem aan den geur van leliën, welke eens gebloeid hadden aan het einde van een korten droom. En hij dacht aan dit nieuwe meisje, wier

Sluiten