Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar een meneertje, dat zenuwachtig op zijn kantoortje op en neer liep en zijn ondergang uitrekende op zijn vingers.

En het gezicht werd steeds grooter en was overal te zien. Het keek lachend neer op arbeiders zonder arbeid en op vergaderingen, waar men alsmaar moties aannam en met houten hamers orde smeedde. Het lachte met het geloei van sirenes, die loeiden voor het laatst. En het lachte met den ratelenden lach van ankerkettingen, welke nooit meer zullen worden opgehaald.

Het lachte met al de voldoening van wie het laatst lacht.

En toen zag Bernard Trentelaer zichzelf. Hij zag zichzelf zoo duidelijk, dat hij er bijna wakker van schrok. Hij was een standbeeld en de menschen in kleurige en onderling zeer verschillende gewaden dansten om hem heen en zongen liederen, die aria's van Verdi leken. En hij keek, als standbeeld, vriendelijk op de huppelende menigte neer.

Doch toen zag hij tante Palmyra, die er weer allesbehalve vriendelijk en tegemoetkomend uitzag en hem, terwijl ze een mageren vinger vermanend naar hem uitstak, toeriep: „Kom naar beneden, Bernard. En trek je jas aan, want het gaat waaien."

Toen trokken hij, die geen standbeeld meer was, en allen, die gedanst hadden, maar niet langer

Sluiten