Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En toen werden oom en neef zoo goed als gek en begonnen hard te lachen.

Oom schonk zich een cognacje in en schonk zijn neef een cognacje in. En toen Bernard zijn glaasje op had, was hij zoo bleek, als een doek.

Des avonds zwierf er door de stad een jongeman met een koffertje. Hij had een regenjas aan en een vilthoed op en was doornat van den regen. Hij liep door plassen en voelde het niet. De wind blies hem vochtig in het bleeke gezicht en het scheen hem niet te deren. En dit is geen gedicht, als proza geschreven en niet ongerijmd, al rijmt het niet. Het was Bernard Trentelaer, die een gevoel had, of hij van alle trappen viel, een gevoel, dat hem gelukkig alleen uit droomen bekend was. Het was het gevoel, dat iemand heeft, die zich voorneemt, alles weg te geven, op een paar dingen na, om dan tot de ontdekking te komen, dat hij niets heeft weg te geven. En dit gevoel nu kende Bernard wél en daarom was het, dat hij dacht, dat hij nog droomde, een naren droom, waar een breed gezicht lachend naar staarde.

Hij liep en de regen stroomde. De straatgoten werden beekjes en de dakgoten stroomden klaterend over. De trams reden boven hun eigen spiegelbeeld. En wie niet tramde, liep onder een parapluie.

Sluiten