Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er waren nergens blijmoediger groenteboeren, dan Bernard en Willem.

Ze brachten leven in de straten, waar hun klanten woonden. En wie niet betalen konden, kregen een mud aardappelen extra.

„Rijk zullen we niet meer worden," zei Willem wel eens tegen Bernard, „maar zoo lang er bloemkool en aardappelen te veel zijn, zullen we geen honger lijden."

Ze woonden in een volksbuurt, waar de menschen nog hun deugden en gebreken hebben, waar de menschen nog gezichten hebben, waar men zonder een geeuw te onderdrukken naar kijken kan.

Hun klanten echter hadden ze overal, tot in die wijken toe, waar men door faces-a-main en via een spionnetje en gezeten in oude stoelen, welke hun eereplaats hebben in de handboeken der kunstgeschiedenis, het leven beschouwt, als iets, dat heel ver is en heel laag en waarheen men slechts nu en dan een dienstbode met goede getuigen en strikt eerlijk gedrag en beslist boven de dertig jaar afvaardigt om te onderhandelen met melkboer, bakker, groenteman en den lievelingsbedelaar des huizes.

En in zulk een buurt was ook het tehuis voor heeren van den besten stand, waarheen Oom Trentelaer de wijk genomen had met een aantal kruiken en karaffen en eenig handzaam kristal.

Sluiten