Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I. DE GESCHIEDENIS VAN HELIAS, DE RIDDER MET DEN ZWAAN.

Koning Oriant, zoon van den vroegeren koning Pyrion, heerschte over een land, geheeten Liljefoort, waarvan men zegt, dat het lag in de Zuidelijke Nederlanden. Deze voortreffelijke vorst was eens op jacht; bij de vervolging van een prachtig hert dwaalde hij ver van zijn gezelschap af en ziet, plotseling stond voor hem een beeldschoone jonkvrouw, die hem staande hield. Zij kende den koning blijkbaar niet en vroeg hem waarom hij joeg op haar grond. De koning, getroffen door haar schoonheid, verklaarde wie hij was, wat gebeurd was; het korte gesprek was voor hem voldoende om een met warme gloed oplaaiende liefde voor de jonkvrouw op te vatten en haar ten huwelijk te vragen. In het oud-Hollandsche volksverhaal staan de volgende dichtwoorden, die de koning spreekt (ook verderop zijn de aangehaalde versregels fragmenten uit het oude volksverhaal):

„O geynster ') der minnen, doorstralende ooghen Die my soo vyerich in vlogen O schoonste schoonheydt noyt soo schoone Ghy hebt mij therte uyt den lichaem ghetoghen,

Dies ick offere met knien gheboghen,

Al dat mijn is, lijf, goet, eere tot uwen lone U opsien dunckt mij schijnen onder den troone,

Cierlijcker dan die Sonne oft oock die Mane,

Dies ick mij subjekt steil in klaren betoone Ter doedt toe in uwen dienst te stane.

Alle de vrouwen ter werelt oyt geboren,

Voortijts present, oft naer 2) te besporen,

Oft gheboren ten Woensdaghe toe,

En hebben gheen ghelijcken bij eede ghesworen,

Uwer schoonheyt Jonckvrou Beatris,

In wiens bedwanck ic ben en weet niet hoe:

Eet ick, drinck ick want3) ick doe,

Ghij zijt int ghedachte vierichste in vermane,

Dus en begeer ick niet anders ommer toe,

Dan ter doodt toe in uwen dienst te stane.

Mocht mij geluck oft voorspoet ghebeuren,

Dat ghij mij u jonste wildet laten keuren

Daer en kooz ick niet voor het goedt ter wereldtront,

En souder wel willen om avontueren,

Lijf, goet, bloet ende leet besueren:

O schoon Beatris lieflijcke rooden mont

Die in vierigher liefden doorblaeckt de gront

Van mijnder herten, schoon wel gedane,

Ic en begeer niet anders dan talier stont

Ter doot toe in uwen dienst te stane."

!) vonk ') later ") wat.

Sluiten