Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

westelijke buren daarentegen, de Morienen, in Vlaanderen en West-Brabant, vertoonen het meer volkomen La-Tènetype, overwegend ijzer.

Deze twee volken waren de noordelijkste Galliërs. Ondanks alles wat sedert gebeurd is, maken de bewoners van west- en oost-Brabant nog heden een verschillenden indruk.

Over Maastricht, Meersen en Heerlen (centrum van het district) loopt de rijksweg naar Colonia Agrippina (Keulen). Steekt men bij deze Romeinsche nederzetting den Rijn over, en passeert men de met blokhuizen en wachtpoorten bezette tollinie, dan komt men in het vrije Germanië. Geen modern kuituurvolk bezit zulke oude berichten over zijn verleden als de Duitschers en Nederlanders. De Duitsche Germanen, die niet dicht bij den Rijn wonen, zijn nog jagers en visschers met een begin van landbouw. Zoo is het te verstaan, wat Tacitus zegt, dat ze, niet op jacht zijnde, den geheelen dag niets uitvoeren dan drinken en eten. In den oertijd is het de vrouw, aan wie de lichtere taak van het kruidenzoeken wordt overgelaten. Van het kruidenzoeken kwam men geleidelijk tot het systematisch uitzaaien, werd de bodem meer bewerkt, en kwam er dus steeds meer mannekracht bij te pas. Volken als de Germanen, die zich al ver van hun vischrijke zeeoevers het land hadden in gewaagd, moeten — in dat klimaat ! — al tamelijk veel akkerbouwkunst bezeten hebben, maar altijd bestond nog de traditie, dat een vrij geboren krijgsman zich met zulken vrouwenarbeid niet inlaat ; voor het zware werk waren immers de hoorigen. — Zoo neemt de man geleidelijk en onwillig de agrarische taak op zich, waarvoor zijn kracht nu eenmaal vereischt wordt.

Wie zich die nog primitieve Germanen voorstellen wil, denke niet te veel aan beestenvellen. Ook wij gebruiken ze, en hebben er zelfs winkels voor. De afbeeldingen op de Romeinsche monumenten vertoonen ons de Germanen met wollen broek tot

Sluiten