Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toeloopende houtpiramiden, met aarde overworpen, de " klokbekers " bevattend, zijn typisch voor de Veluwe. In den tijd waar dit hoofdstuk over gaat,de tweede eeuw ongeveer, wordt ook dat gebied ingenomen door primitieve Germanen.Wat er van de "koepelgrafbouwers " geworden is, kan niemand voorloopig zeggen.

Zoo wonen dus primitieve Germanen op onze oostelijke en Veluwsche, primitieve Galliërs op onze zuidelijke hooge gronden. Daar tusschen gaapt de delta van Rijn en Maas, vette bodem, doch voor die eenvoudige lieden blijkbaar niet te bewerken, al was het maar om de overstroomingen. Hier hadden zich, in de laatste eeuw vóór het begin onzer jaartelling, Rijnsche Germanen neergezet, uit de streken dus, waar Gallische invloed het kultuurpeil al lang had doen rijzen. Uitdrukkelijk vertelt Tacitus, die in het jaar 98 schreef, en goed op de hoogte was, dat de Bataven, een deel der Chatten uit het tegenwoordige Hessen waren. Dat Caesar hen in 55 voor Chr. reeds op hun Rijneiland, de Betuwe, zou hebben aangetroffen, betwijfelt Holwerda. Kort daarna moeten ze echter wel verhuisd zijn. Reeds de breede aanleg hunner hoeven, waarvan er een, bij Maurik, door bovengenoemden onderzoeker blootgelegd is, bewijst, hoe ver ze, vergeleken bij de binnenlandsche Germanen, gevorderd waren. Raadselachtig is de groote verwantschap van hun vaatwerk en gerei met dat der Friezen, die omstreeks denzelfden tijd in hun kleilanden gekomen moeten zijn ; althans op den bodem hunner terpen, dus in de resten hunner oudste nederzettingen, vond Holwerda reeds vele Romeinsche exportartikelen. Toch moeten zij uit het oosten, uit de noord-Duitsche kuststreken gekomen zijn ; hun dialect wijst het duidelijk uit. De toekomst moge hier licht brengen.

De Rijn, die toen in zijn Betuwsch gedeelte, vóór Wijk bij Duurstede, zuidelijker liep — de Linge is er een overblijfsel van — was door de Romeinen met een zwaren dijk bedwongen ; de

Sluiten