Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verwacht men hulp en raad. Dat alles wordt overal op de wereld onder gelijke omstandigheden gevonden ; wij zullen het niet voor dezooveelste maal afdraaien(l). Niet geheel vanzelf spreekt welke natuursfeer het eerst of het meest tot een concrete persoonlijkheid kristalliseert. Dat hangt van het landschap af. Bij de continentale Germanen was Wodan, de god van den wilden wind, hoofdfiguur. Hij voert in den stormnacht de scharen der dooden aan. Bij de kuststammen treedt Donar op den voorgrond, de dondergod, vermoedelijk als god der zeelieden. Later is hij, vooral in Skandinavië, een boerengod, maar er waren in onze periode nog niet veel boeren. Den stormwind, die in de boomen giert, dien kenden ze echter. De lichte hemel daarentegen, die aan Romeinen en Grieken hun hoofdgod schonk, had voor de Germanen niet zoo veel beteekenis.

De gestalten der natuurgoden ontwikkelen zich eerst als de landbouw het leven beheerscht. En een mythologie, godenfamilies en godengeschiedenissen, zijn altijd het produkt van ridderlijke poëzie. Daartoe is het bij de Germanen eerst eeuwen later gekomen. Ook late men zich niet wijsmaken, dat Bataven of Gherusken over het einde der wereld hebben nagedacht. Van een godenschemering, of iets dergelijks, hebben ze nooit gehoord. Hun religiositeit stond van die dingen natuurlijk precies even ver af als hun armzalige ronde leemhutten van de latere prachtig getimmerde boerenhoeven der Middeleeuwen, waarvan de evenbeelden nog heden te zien zijn.

Quinctilius Varus, die van 6 tot 9 na Ghr. de Rijnarmee kommandeerde, was stadhouder van Syrië geweest, en aan Aziaten gewoon. Dat de Germanen minder lijdzaam waren, ondervond hij aan lijf en leger in het Teutoburgerwoud. Het was een ontzet-

(i) ik kom op voor dit geenszins banale woord : een beeld ontleend aan het straatzangersleven, nu weer versterkt door den film.

Sluiten