Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor Fectio beteekende dat een terugtreden van het militair en een uitbreiding van het mercantiel karakter der vestiging. Het legerkamp wordt verkleind ; magazijnen van aardewerk en andere exportartikelen verrijzen. Waarheen ging die waar ? Niet naar Britannië, dat is zeker. Dus naar de Duitsche Bucht mischien wel reeds met verdere bestemming voor de Deensche eilanden en zuid-Zweden. Daar zou toen reeds die Baltische handel begonnen zijn, die altijd de voornaamste geweest is in de geschiedenis onzer betrekkingen. Maar de kooplieden waren zeker geen Bataven, doch Romeinen, d. w. z. Galliërs.

Westelijk van Fectio, tot aan de duinen, ligt een waterwoestijn, waar nog nooit iemand gewoond had. In de duinstreek leefden de aan de Bataven nauw verwante Kanninefaten, waarvan de naam toch zeker wel met Kennemerland zal samenhangen. Dit gebied kreeg strategische beteekenis voor de Romeinen, toen ze, midden eerste eeuw, Britannië begonnen te onderwerpen. De beste overvaart schijnt bij den Scheldemond begonnen te zijn, wel te verstaan bij dien der Oosterschelde, die oudtijds de hoofdtak was. De Zeeuwsche en Zuid-Hollandsche eilanden hadden een andere gedaante dan nu, en het gunstig vaarwater liep ook anders. Op de Zeeuwsche eilanden woonde een overblijfsel uit den voortijd, een splinter van een volkstam, waarvan we niets weten, dan dat hij op verscheidene plaatsen bij de westkust van Europa voorkomt. Hun naam is misschien Sturiërs geweest, hun type leeft voort in het zuidelijk aandoend Zeeuwsch geslacht (1).

Langs het gebied dezer lieden liep de zeeweg naar Britannië. Bij Domburg, op de kust van Walcheren, werd de godin Nehalennia vereerd ; wie uitvoer of gelukkig thuis kwam, smeekte haar om of dankte haar door een votiefsteen voor zijn

(I) Het Zeeuwsche type heeft natuurlijk niets met Spaansche inkwartiering te maken.

Sluiten