Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Weldra bevinden de Franken zich met Romeinsche toestemming aan den Rijn en in Noord-Gallië.

Het oude Romeinsche regeersysteem moest wel veranderen. De legercorpsen, grootendeels uit Germanen saamgesteld, moesten snel en zelfstandig opereeren kunnen, nu de barbaren onophoudelijk opdrongen en in grootere of kleinere bende overal opdoken. Hun aanvoerders, soms maanden lang buiten verbinding met de hoofdstad, en voor soldij en onderhoud op hun omgeving aangewezen, voelden zich niet meer volstrekt afhankelijk van verre chefs, die bovendien reden hadden hen te ontzien, daar het heil van heele provincies van hen afhing. Ze oefenen het oppergezag in hun gewest uit en gedragen zich meer als onderkoningen dan als stadhouders. Het eenige, waardoor de regeering hen nog eenigermate in bedwang hield, was de officieele erkenning, die hun de onmiddellijke gehoorzaamheid der provincialen verschafte. Zonder aanstelling stonden ze gelijk met ieder ander bendehoofd en hing hun positie geheel van de wapens af.

En dat is nu het beeld, dat de Middeleeuwen van het Romeinsche rijk bewaard hebben, het eenige trouwens, dat ze konden begrijpen : niet de gecentraliseerde beambtenstaat van Augustus en Hadrianus, maar het conglomeraat van zelfstandige gebieden met belangrijke resten van ambtelijke ordening, onder de nominale opperhoogheid des keizers.

Een goed voorbeeld van zulk een onafhankelijk stadhouder is Syagrius, die, eigenlijk als ambtenaar, op het einde der vijfde eeuw het gebied tusschen Somme en Loire bestuurde, dat door de geschiedschrijvers dier tijden een " rijk " genoemd wordt. Het werd in 486 " veroverd " door Hlodowig (Clovis), koning der Franken, die sinds lang als Romeinsche bondgenooten in NoordGallië woonden. Na zijn verovering hebben hij en zijn opvolgers, de Merovingen, zich beijverd, een officieelen titel van den keizer te Gonstantinopel, erfgenaam der Romeinsche keizers, te verkrijgen.

Sluiten