Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV. De Franken

IN noord- en midden-Gallië, weldra ook over het zuiden, strekte zich sedert het einde der vijfde eeuw het Frankenrijk uit. Langs den Rijn en in Vlaanderen was de bevolking compact Germaansch ; naar de Seine toe steeg het Romaansche element snel; de taalgrens loopt dwars door België. Als Frankische stamkoningen waren de Merovingen begonnen met oorlogskommando en hooge justitie, eererechten en eeregeschenken. Als Romeinsche vazallen was hun aanzien reeds grooter geweest, al was dat niet vastgelegd in bepaalde bevoegdheden. Als veroveraars en bestuurders van zuiver Romeinsche distiicten bezaten ze, theoretisch althans, de Romeinsche staatsalmacht. Daarvan was toen niet zoo heel veel meer over. Het treurig overschot blonk echter nog schttterend in de Germaansche armoede. Begrippen als ambtenaar, belasting, opperhoogheid, werkten in op de Frankische rechtsopvattingen, en verschaften den koningen een zeker houvast, dat het hun mogelijk heeft gemaakt, een duurzaam rijk te stichten en over hun buren te zegevieren. Hoe belangrijk was al niet het gebruik van het schi ïtt! Met behulp van deze machtsmiddelen gelukte het den Merovingen ook zuid- en west-Duitschland te onderwerpen.

Maar dat alles werd niet van één middelpunt uit geregeerd. Vorstelijkheid werd toen opgevat als een familiebezit; de zonen deelden het onder elkander en bleven het geheel dan nog als eenheid beschouwen. De verschillende deelingen nu, die aldus hebben plaats gehad, leeren ons iets belangrijks kennen betreffende de natuurlijke grenzen binnen het Frankenrijk. Telkens vinden wij een tegenstelling tusschen de westhelft van het kernland en het oostelijk gedeelte, zoodat Reims, Straatsburg en Keulen altijd tot Autrasië behooren, Soissons, Parijs, Orleans en

Sluiten