Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de drie jaarlijksche " ongeboden dingen ", d. w. z. zonder oproep bijeenkomende rechtszittingen, leidde en een deel der boeten inde. Daar boete de gewone straf was, enkele zware misdaden uitgezonderd, liep dat nog al op. Dan hief de koning tollen en liet munten slaan. Ging de oorlogsbode rond, dan hadden zich de

weerbaren in bepaalden getale met wapenen en uitrusting

ieder moest voor zijn eigen voedsel zorgen — onder den graaf te scharen; bij Kareis Saksische, Italiaansche en Spaansche oorlogen vvas dat geen kleinigheid. Maar tot zoover weerspreekt niets het (jermaansche rechtsbewustzijn.

De koning kon het daar echter onmogelijk mee doen. De graven moesten toch voor hunne moeite beloond worden. En daarvoor was veel te weinig geld in de wereld; goederen moest men hun inplaats daarvoor in leen geven. Het zelfde gold voor de zoogenaamde commendati, die zich en de hunnen tot militairen dienst en trouw aan den koning verbonden. Bij de stroefheid van het instituut van den legerban (de lichting) werden die " mannen des konings gelijk zij genoemd werden, meer en meer onmisaar. Om die allen te beloonen legde de vorst beslag op alle woeste gronden, op jacht- en vischrecht. Heel geleidelijk is dat gegaan en steeds was de begunstigde tegelijk de kampioen van het koningsrecht, en altijd ook zelf een man van aanzien. De voornaamsten van hen beleenden weer anderen met een deel van het ver vregene en vergrootten daardoor hun macht. Het bedenkelijke aan de heele zaak lag in de moeilijkheid eene beleening ongedaan te maken. Wie den erfgenaam van den vazal de beleening weigerde, schiep zich een vijand.

Zoo is het leenstelsel de weg geworden, waarlangs het grootgrondbezit zich ook in de Germaansche landen opwerkte tot de werkelijke macht in het rijk. Niet alleen de bodem, ook de

meeste regalien : tollen, rechtsinkomsten, muntrecht, viel er aan ten buit.

Sluiten