Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De eerstgenoemde slag wordt verheerlijkt in het Lodewijkslied, onmiddellijk na den slag gedicht, blijkbaar door een monnik.

De jonge koning, zoo verhaalt de dichter, was door God met vele deugden begiftigd en op den troon der Franken gezet, nadat hij " thia zala wuniono ", het getal der heerlijkheden, met zijn broeder, die Zuid-Frankrijk kreeg, gedeeld had. Nu wilde God hem beproeven of hij tegenspoed verdragen kon. " Heidine man " kwamen over zee, om de Franken aan hun zonden te herinneren. Weldra was de een verloren, de andere verkoren; leugenaars en dieven deden boete. Maar groot was de nood. God zelf sprak Lodewijk aan, zijn volk ter hulp te komen, die zich aanstonds daartoe bereid verklaart. Nadat hij afscheid van God had genomen (nam er godes urlub), reed hij zijne reikhalzend naar hem uitziende mannen ter zijde, herinnert hen aan den steeds te verwachten en vooraf bepaalden dood, belooft loon aan de dapperen of aan hun nabestaanden, grijpt schild en speer en zoekt den vijand op. Een Kyrie eleison opent den slag. Aller wangen gloeien, maar geen streed zoo dapper als de koning. Den een sloeg hij neer, den ander stak hij neer; hij schonk met zijn handen zijn vijanden bitteren drank. Wee over hen! Geloofd zij God en de Heiligen! Zegerijk was zijn strijd! Behoede de Heer hem nog lang in zijn genade !

Afgezien van de moraliseerende inleiding — de monnikspij over het krijgsmanshemd mocht niet afgelegd worden — herkennen wij hier typische oudere en jongere vormen der middeleeuwsche epiek. Ten eerste de ons lichtelijk overbodig schijnende voorgeschiedenis van den held; dat element zal later geducht aanzwellen. Ten tweede de stemminguitdrukkende toespraak tot zijn mannen; elders vindt men den strijd wel ingeleid door een woordenwisseling tusschen de tegenstanders, een geheel ander element, tragisch en ernstig door het besef van dreiging en noodlot, dat er door gewekt wordt; de toespraak tot de strijdmakkers

Sluiten