Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijke machthebbers verloren gingen. De Duitsche koning Arnulf, gezegd van Karinthië, benoemde als zoodanig zijn bastaardzoon Zwentibold, die echter zijns vaders kwaliteiten niet bezat. Hij heeft van 895-900 gevochten met de graven Reginar van Henegouwen en Lambert van Leuven en kwam toen ellendig om. Er was dus geen hertog meer.

Nu begon eerst het goede leventje voor de forsche, jachtbuitetende edelen. Al te zacht zullen ze voor hun hoorigen wel niet geweest zijn, maar de voorstelling van beestachtige onderdrukking, die men zich vroeger van den toestand der onvrije klassen gemaakt heeft, schijnt toch onhistorisch te zijn (1). De meeste onvrijen waren een soort onmilitaire vazallen ; ze hadden een hoeve van hun heer in leen en moesten daar een cijns in veldvruchten of arbeid voor opbrengen. Maar rechteloos waren ze volstrekt niet. Ze werden beschermd door de toen zeer machtige publieke opinie. Hard had het daarentegen de geestelijkheid. Bij de neiging de erfgoederen niet te versnipperen, lag het voor de hand, dat jongere zonen van edelen goede geestelijke plaatsen zochten. Dat kon ook, want het goede dier plaatsen bestond gewoonlijk uit schenkingen en prebenden, door den adel aan de religieuze instituten op zijn goederen verleend. Zoo kwam men er gemakkelijk toe, het kerkgoed als een soort reservekapitaal voor den adel te beschouwen. Er was geen vorst, er was geen recht. De opper-Lotharingsche kloosters — noordelijker waren ze nog nauwelijks te vinden — zagen zich weldra van alles beroofd, hun gebouwen als stallen voor de adellijke paarden gebruikt. Wat was dat een gezond en ruw leven voor die heeren! Uiterst eenvoudig behuisd, gewoonlijk in houten gebouwen binnen een muur of wal, hoogstens met een steenen toren als

(1) Over den oorsprong der hoorigheid buiten de Romeinsche rijksgrenzen zijn wij onvoldoende ingelicht.

Sluiten