Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verlangde men naar een krachtig koning. Dan, maar ook dan alleen.

De machtsverhouding tusschen koning en vazallen hing natuurlijk af van verschillende omstandigheden. Nu is dit voor het verloop der geschiedenis van het grootste belang, dat die omstandigheden in de vijf groote Europeesche landen, Italië, Spanje, Frankrijk, Engeland en Duitschland zeer verschillend waren. Met Spanje en Engeland hebben de Lotharingsche zaken voorloopig niets te maken. Met Italië niet aanstonds. Frankrijk verkeerde in een toestand van geordende anarchie. Er bestond geen rijk meer, er waren slechts grootere of kleinere leengoederen. Een der machtigste vazallen was de graaf van Vlaanderen, wiens gebied niet tot Lotharingen behoorde, hetgeen hem echter niet verhinderde zich naar dien kant uit te breiden. De koning, die weinig meer dan de stad Laon bezat, beteekende niets. Dat het Fransche koningschap sinds 987, de troonsbestijging der Capets, niettemin langzaam gestegen is, werd mogelijk gemaakt door de sterke heugenis aan de Romeinsche staatsmacht daar te lande. Het koninklijk aanzien bleef er steeds een zeer werkelijke machtsfactor, die, goed gebruikt, op den duur een reëel koningschap boven de vazallen kon doen ontstaan.

Juist het tegendeel gold voor Duitschland. Daar bestond geen Romeinsch-keizerlijke herinnering. Daarentegen leefde daar sterk de realiteit der volksstammen, Saksers, Franken, Zwaben, Beieren, Thuringers, gesteund door den min gunstigen geografischen bouw des lands : de scheidingsgebergten in het midden.

De Duitsche Franken aan Rijn en Main waren in naam de heerschende stam, inderdaad, afgescheiden van hun westelijke genooten, lang niet de machtigsten. Het sprak niet van zelf, dat er een Duitsche koning zijn moest. Zonder de invallen der Hongaren was er misschien geen gekomen. Daarentegen bezat een stamhertog, die de kroon droeg, veel meer eigen macht dan een Fransch

Sluiten