Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

koning. Vrijwel de eenige steun evenwel, die hij buiten zijn hertogdom vond, kwam van de geestelijkheid, altijd de draagster der eenheidsidee.

Daarnaast gold nog steeds de familie als de sterkste maatschappelijke band. De duitsche koningen der tiende eeuw hebben getracht, op die twee factoren, geestelijkheid en familieverband, hun rijk te grondvesten.

Ook de Lotharingsche geschiedenis is door die politiek bepaald. Een kort oogenblik heeft de Frankenkoning Karei de Eenvoudige hier, als tegengif tegen den Duitschen natuurlijk, erkenning gevonden. En in dien tijd heeft hij iets belangrijks verricht. Behalve het bisschoppelijk Utrecht, dat uit behoefte aan bescherming tegen den adel zeer op de hand was van den wettigen heer, koning Hendrik I van Duitschland, bestond er in het noorden nog één middelpunt van religieus, dus cultureel leven: het versterkte kerkje te Egmond, waar de Heilige Albertus begraven lag. Die versterking, met het omliggende Kennemerland, een bewoonde oase in de waterwoestijn tusschen Noord- en Zuiderzee, schonk Karei ter leen aan Diederik I, zoon van den Frieschen graaf Bernulf, dien wij reeds als landeigenaar in deze streken kennen. Diederik, veilig achter zijn moerassen, was de natuurlijke tegenstander van den bisschop van Utrecht, en de beste steun voor de anti-Duitsche partij. Zoo is het graafschap Holland, dat hiermede tot stand kwam, reeds bij zijn stichting Fransch gezind geweest.

In 925 keerde Hendrik I den adelaar op den toren te Aken voor goed naar het Oosten. Lotharingen erkende hem, zoo in 't algemeen. Maar de Hollandsche graven Diederik I en Diederik II waren kind aan huis bij dien van Vlaanderen, Fransch vazal. De derde, Arnulf (of Arnoud), die in 993 bij een poging om de West-Friesen tot gehoorzaamheid te brengen, sneuvelde, had hem tot peetvader.

Sluiten