Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inmiddels had de tweede koning uit het Saksische huis, Otto I de Groote (936-973) een bevredigende rijksorde geschapen. De drie aartsbisschoppen van Mainz, Trier en Keulen, en vele andere bisschoppen en prelaten, werden rijk begiftigd, niet alleen met goederen, maar ook met gravenrechten en regaliën. Zij, wier waardigheid niet erfelijk kon zijn, en dus steeds hun positie aan den koning dankten, die hen benoemde, werden steunpilaren des rijks. Daarnaast maakt hij broers, zoons en schoonzoons tot hertogen; zoo Koenraad den Roode, gehuwd met zijn dochter Liudgardis, tot hertog van Lotharingen (944). Maar die fainiliepolitiek was geen succes. In 953 moest Koenraad worden afgezet wegens zijn deelneming aan den opstand van Ludolf van Zwaben, des konings zoon. Otto gaf het hertogdom nu aan zijn broeder Bruno, aartsbisschop van Keulen. Na diens dood wordt het gesplitst in Opper- en Neder-Lotharingen (959), teneinde het beter te kunnen beheerschen. De grens lag ongeveer bij die van het tegenwoordige België en Luxemburg.

Groot was het resultaat daarentegen van Otto's kerkelijke politiek, bekroond door zijn verheffing tot West-Romeinsch keizer door den paus in 962. De paus kroonde hem weliswaar, doch de bepalingen over de pauskeuze gaven hem op zijn beurt grooten invloed daarop. Als openlijk erkend beschermer der kerk werkte hij samen met zijn getrouwe prelaten, de vertegenwoordigers van alle hoogere belangen, van de kennis van Latijn, canoniek recht en schriftelijk verkeer. Kloosters verrezen overal op de groote goederen, en legden daar door eigen kracht een fundament voor toekomstige rijkdommen. En waar die nuttige maar ietwat erg materieele arbeid het geestelijk karakter der orde in gevaar bracht, daar ontstond tegelijk het geneesmiddel. Van Cluny, in Bourgondië, ging een beweging uit tot verscherping van de kloostertucht, tot heiliging van het monnikenleven (910). Onmiddellijk onder den paus gesteld, en dus vrij van episcopaal

Sluiten