Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Liudgardis, dochter van Otto I en gemalin van Koenraad den Roode. De laatste nu heeft, naar wij uitdrukkelijk vernemen, in 953 wel zijn hertogelijk ambt, maar niet zijn goederen verloren. De Saliërs waren hier dus grondeigenaars van beteekenis. Dat moest hen doen wenschen, er de macht hunner regeering steviger te vestigen. Hun politiek daarbij was de oude, die der Ottonen : uitbreiding der bisschoppelijke macht. In de eerste helft der elfde eeuw, ruim gerekend, wordt de Utrechtsche bisschop beleend met Teisterbant (het gebied rondom Tiel), het Gooi, de Veluwe, Overijssel (toen niet zoo genoemd) en Drente, waartoe ook het land rondom de stad Groningen behoorde. In de tweede helft der eeuw, wilde de keizer er nog Holland en Friesland bij voegen, zoodat het bisdom daardoor den omvang zou verkregen hebben van wat men toen in ruimeren zin het land der Friezen noemde, dat wil zeggen, bijna geheel Noord-Nederland. Maar het lukte niet. Van Holland en Friesland kwam voor den bisschop niets te recht; de Veluwe verviel door een onberaden (of afgedwongen?) daad al spoedig als achterleen aan Gelre; Teisterbant schijnt aan Holland verloren te zijn gegaan. De tijden waren veranderd. Het groote conflict der elfde eeuw heeft het gebouw der Ottonen in puin geworpen; menig bisdom is er onder bedolven.

Terwijl het bisdom aldus in gunst stond, drong de Hollandsche graaf zonder gunst of verlof door naar het zuidoosten, in de richting van Heusden. De machtige keizer Hendrik III, die ongestoorder dan zijn voorgangers gedurende een halve eeuw Duitschland en Italië bezat, dwong hem gewapender hand terug. Maar hertog Godfried van Opper-Lotharingen, gezegd de Baardige, die aanspraak maakte op de andere helft van het hertogdom, en Boudewijn V van Vlaanderen, die zich wenschte uit te breiden, vielen hem bij. De keizer, die meer te doen had, en zich hier niet veilig voelde, moest terugtrekken. Als een hoon deden de opstandigen zijn burcht te Nijmegen in vlammen opgaan.

Sluiten