Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

achteraf te stellen bij het algemeene, dat immers de menschelijke zichtbare zijde van het goddelijk absolute is. Evenzoo was het natuurlijk geweest, dat de nagalm der antieke overlevering een individualistischen klank had. Men kon dan ook wel verwachten, in de Karolingische kunst meer daarvan te vinden dan later. Toch valt het op, dat de ontwikkeling zoo beslist in abstractgevoelsmatige richting is verloopen. De figuren der handschriften, ivoorplaten en steenen beelden uit de negende eeuw getuigen van belangstelling in de vormen der gelaatsuitdrukkingen, een levendigheid, waarnaast die der elfde op het eerste gezicht den indruk van verstarring maken. Bij nader toezien ontwaardt men de vrome ontroering op de gezichten, maar met dat sentiment is om zoo te zeggen het vrome meer tot uitdrukking gebracht dan de ontroering. Terwijl de illustraties van wereldlijken aard, bijvoorbeeld die waarop gevechten, koningen en keizers afgebeeld staan, ons het mannenideaal dier tijden vertoonen : den in haar en baard keurig verzorgden edelman of prelaat van middelbaren of iets ouderen leeftijd, met loshangende en toch weinig geplooide gewaden, en rustige beheerschte gelaatsuitdrukking, gaan de religieuze figuren op in een soort heilige ontzetting, een stilstaande, al het andere vergetende aandoening, een spookachtig staren. Het is niet meer het hiëratische der Byzantijnsche kunst, wier vromen vervuld zijn van rustig geloof en kalmen eerbied; een ekstatisch element breekt nu naarvoren, dat alle wereldsche en menschelijke bijzonderheden achter zich laat, zonder omkijken. Elke figuur is een verloochening van het individualistisch adelijk streven.

Ook de bouwkunst is niet zonder sporen van die gezindheid. Minder soepel van expressie dan de figuuruitbeelding, vermag zij slechts door het negatieve de stemming harer stichters te verraden.

Aan de vroeg Romaansche kerken ontbreekt elke individualiteit der onderdeelen; zelfs de zuil met haar kapiteel en

Sluiten