Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIII. De ridders

WIJ zijn gevorderd tot ongeveer 1100. Grenzen trekken door de economische en geestelijke ontwikkeling is onmogelijk. Met de twaalfde eeuw een nieuwe periode aanvangen is even goed te verdedigen als het met de elfde te doen. En ook de tiende komt ernstig in aanmerking. Het is maar hoe men zijn chronologisch systeem wil inrichten, op het eerste begin der verschijnselen, op hun duidelijke ontwikkeling of op hun voltooiing. Een geschiedenis der ridderschap heeft men het eerst te beginnen. De algemeene geschiedenis, ook die van een bijzonder land, interesseert er zich eerst voor, wanneer ze een algemeen belangrijke factor geworden is. Nu is de ridderschap tijdens de oorlogen der elfde eeuw opgekomen en heeft in den aanvang der twaalfde de positie eener belangrijke klasse bereikt. Zij is feodaal, gelijk het grootgrondbezit. Het nieuwe harer positie blijkt het best uit de kuituur, die zij deed ontstaan en die het feodalisme in de wereld der idealiteit tot uitdrukking heeft gebracht.

Europa werd thans volledig beheerscht door het grootgrondbezit en de economische vormen, die daarvan afgeleid waren. Het is niet meer de hoeve, die het systeem draagt, maar de heerenhoeve met de van haar afhankelijke bedrijven; met een woord des tijds noemt men haar " froonhoeve " (1). Haar kenmerk is, dat zij omgeven wordt door hoeven en landen, die in leen zijn gegeven aan personen, die, behalve tot het afdragen van een deel van den oogst, ook tot het verrichten van persoonlijke diensten op het land van den heer verplicht zijn, en die niet de

(1) De Duitschers geven de Middeleeuwsche lange O, natuurlijk door Oh. weer; een Nederlander, die dat naschrijft, maakt zich bespottelijk.

Sluiten