Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zakentraditie en men bezat slechts zeer beperkte relatiën. De overschotten hoopen zich op eer men in staat was ze te gebruiken. Of eigenlijk hoopten ze zich niet op, en zouden ze bedorven zijn als men er geen andere bestemming voor gevonden had. Die andere " belegging " bestond in het onderhouden van dienaren, die zich in het bijzonder met den wapenhandel bezig hielden. Men gaf land in leen aan lieden, die daarvoor geen rente in naturaliën behoefden te betalen, en geen andere heerediensten te verrichten hadden dan vechten in tijden van oorlog. De legers waren weldra hoofdzakelijk uit zulke bereden mannen van wapenen samengesteld. Men mocht hen zoo lang in dienst houden als men wilde — tenzij bij de beleening een beperking was opgelegd —, terwijl hun meier het bedrijf in stand hield. De anderen bleven dus thuis aan hun werk. Ik zeg niet, dat het bedrijf der ridders, zooals ze later genoemd werden, niet leed onder hun afwezigheid. Integendeel is hun geschiedenis die eener voortdurende verarming, juist daardoor. En hun uitrusting, met reservepaarden en gewapende dienaren, was heel duur. Zonder den buit, dien ze nog al eens thuisbrachten, ging het hun gemeenlijk slecht. Gelukkig waren ze onmisbaar en moesten te vriend gehouden worden. Degene, die hun diensten gebruikte, of het nu hun heer was, of diens leenheer, bijvoorbeeld de hertog of koning, placht mild met geschenken te zijn, wapenstukken, jachtbuit of gouden ringen. Op marsch namen ze zooveel mogelijk van de boeren, vriend of vijand.

Het was dus eigenlijk geen erg eervol beroep, dat van ridder. Maar ze bezaten alle sportieve en martiale voordeelen in de oogen hunner omgeving, en bovendien de plicht tot onverschrokkenheid, dus een hooge beroepseer. De trouw, die men van hen verwachtte, trok om hun hoofd een afschijnsel van het aureool der oud-Germaansche volgelingentrouw. Ze waren de erfgenamen van de poëzie der feodaliteit. Wat hun stand echter het meest

Sluiten