Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft hooggehouden, dat was hun aantal. Waren ze zoo talrijk geweest als soldaten, dan hadden ze het evenmin als die ooit verder gebracht dan de bewondering van eerzame burgerdochters, bij manier van spreken natuurlijk, want die bestonden toen nog niet. Waren ze zoo schaarsch als kapelaans geweest, dan hadden ze zich in hun armoede niet kunnen doen gelden. Noch het een, noch het ander was het geval. Er waren er genoeg om in die schraalbevolkte wereld als massa te fungeeren, en te weinig om daarin met hun persoonlijkheid onder te gaan. Numeriek staan ze ongeveer gelijk met de huidige onderwijzers, die genoeg in aantal zijn, om in hun omgeving iets te beteekenen, en wetenschappelijk te laag staan, om door hethoogere intellect te worden doodgedrukt. Heel de geschiedenis der ridderschap geeft blijk van die dubbele positie : geëerd altijd tot zekere hoogte, en toch weer als armoedzaaiers door de grooten geminacht. " Heer ", was hun titel, ze waren de eerste " meneeren " — in den huidigen vulgairen en toch niet heelemaal vulgairen zin — der westersche geschiedenis.

Er vielen nog andere gunsten ten deel aan deze troetelkinderen der historie. Ze vormden nu, als ze in functie waren, de hoofdkracht van een grooter of kleiner leger. Maar in gansch andere omstandigheden dan hun voorgangers, de vrije mannen van den legerban. Die waren opgekomen, zooals reeds Tacitus het beschrijft, naar geslachten en families geordend. Ze brachten een stuk van hun thuis naar het legerkamp mee, en dat thuis was de grondslag van de maatschappij, dus iets heel gewichtigs. Hing ook de waardeering, die ieder genoot, af van zijn prestaties in raad en veld, hij bleef toch een stuk zijner familie. Zijn ervaringen werden ingeschakeld in het geheel der algemeen bekende voorstellingen; hij was opgegaan tot den oorlog zooals zijn voorouders sedert onheugelijke tijden wel ten oorlog waren getrokken. De emoties en geestelijke spanningen, door zijn avonturen opge-

Sluiten