Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewapende Ieekebroeders en conversen de naburige abdij Foswerd in asch gelegd. Maar dat is hun door de publieke opinie toch wel erg kwalijk genomen.

In onze periode is het nog niet zoo ver. In de twaalfde en dertiende eeuw hebben de kloosters meer last van hun omgeving dan omgekeerd. Familieleden of erfgenamen van groote begunstigers plachten op te treden als verdedigers (advocati) der kloosters in wereldlijke zaken, en maakten daar schandelijk misbruik van. Graven en heeren beschikten over kostgangersplaatsen binnen de muren, waar ze dan oude dienaren mee pensioneerden. Het recht van inkwartiering op grafelijke reizen kon licht tot misbruik aanleiding geven. Daarentegen was het kultureel nut der monarchale gestichten onberekenbaar.

De grootere abdijen bezaten inrichtingen van onderwijs aan toekomstige geestelijken en kinderen van voorname leeken. De nonnenabdij Rijnsburg was de " kostschool " der adelijke Hollandsche jonge dames. Wie daar boven uit studeeren wilde, moest monnik worden. Erg goede monniken werden die lieden niet altijd, maar ze droegen de wetenschap, en voor een groot deel ook de kunst.

Al werden de ridderburchten ook meer en meer van steen opgetrokken, architectonisch waardevolle gebouwen waren toch alleen de kerken. Het zijn constructies, die door de gecombineerde werking van hun afkomst en bestemming reeds tot schoonheid werden. De grondgedachte is : een groote ruimte voor het publiek, met aan de oostzijde een altaar, en daaromheen banken voor de kanunniken. Waardoor ze echter aan de verschrikking onzer vergaderzalen ontkwamen, dat was hun oorsprong als basiliek, nu eenmaal een zeer langwerpig hoog gebouw, met aan iedere zijde een of meer lage beuken, laag genoeg om in de muren van het schip ruimte over te laten voor vensters. Nu is een lange zaal, die zich in haar bestemming naar een dier smalle

Sluiten