Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XI. De Hoofsche Riddercultuur

DE spanning, waarvan wij in het negende hoofdstuk gesproken hebben, ontlaadde zich in de tweede helft der twaalfde eeuw op literair gebied, allereerst in de lyriek. Reeds in de tiende en elfde eeuw vinden wij, niet in Nederland maar in Duitschland, geestelijke poëzie, zooals begrijpelijk is, en daarnaast spreuk- en sprookverzen, geneeskrachtige tooverformules en anekdotische gedichten, vaak van verre herkomst. Het was het " oneerlijk dat is ordinair volk der sprooksprekers, dat in gezelschap van koordansers en waarzeggers rondtrok, de landen en de eeuwen door, afkomstig uit de Romeinsche tijden, waarvan ze op hunne wijze een herinnering bewaarden. Van lyriek bemerken wij eerst iets in de tweede helft der twaalfde eeuw.

Wie nog gelooft aan den " natuurlijken mensch ", die in de lentezon onwilkeurig een lied aanheft, zal zich over dat verschijnsel verwonderen. De geschiedkundige, die zulk een wezen nergens aantrof, heeft het feit te constateeren en te verklaren. De eenvoudige mensch uit het verleden bezingt de natuur niet en maakt geen minnedichten. De buitenman kijkt niet naar het landschap, en voor erotische lyriek is iets noodig, dat de zuiver feodale tijden niet bezaten : een zekere mate van waardige zelfstandigheid tegenover de omgeving. De gevoelsuitdrukking in poëzie is niet zoo iets eenvoudigs als het ons thans lijkt, nu het schrijven heel gewoon is en dientengevolge grootendeels cliché.

Het formuleeren in woorden maakt het zuiver persoonlijke tot iets objectiefs, iets met aanspraak op geldigheid. De poëtische vorm is bovendien altijd pretentieus. Men moet zich voelen en geacht weten, om er mee voor den dag te durven komen. En boven moet men zich bezinnen op zijn gevoel, niet enkel het door

Sluiten