Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich heen laten gaan. Bezinnen nu is niet mogelijk zonder bewustzijn van onderscheid. Zoo min als er een natuurlijke mensch is die zingt, zoo min bestaat er een, die zoo maar gaat nadenken. De alleenstaande, die daardoor anders voelt dan de anderen, kan zich daarom van zijn voelen bewust worden. Het is dus geen toeval dat de ridder, gelijk wij zagen de eerste die tot zekere hoogte op zich zelf aangewezen was, de lyriek invoert en in het bewustzijn zijner persoonlijke waardigheid als minnedichter optreedt. De edelman heeft slechts standsgevoel onafhankelijk van zijn eigenschappen; de ridder is niets, zoo hij niet blijkt, wat hij schijnt.

De weg van Parijs naar Keulen loopt over Maastricht. Langs die route hebben veel kuituurelementen uit Noord-Frankrijk den Rijn bereikt, die Noord- en Zuid-Duitschland verbindt. De Maasschool uit het vorige hoofdstuk stond in voortdurend contact met Keulen. Uit haar gebied stamt ook de man, die de Fransche lyriek op Duitschen bodem overbracht. Hendrik van Veldeke (dorp in Zuid-Limburg) was aanwezig op het voor de ontplooiing der hoofsche levensvormen beslissende feest te Mainz in 1184, waar Keizer Frederik Barbarossa zijn zoons tot ridder sloeg. Hij dichtte in het Middelhoogduitsch en is voor Duitschland de groote hervormer geworden. De Nederlandsche edelen waren voorloopig nog te boersch. Daar de ridderlyriek evenwel op den duur ook onze literatuur zijdelings beinvloed heeft, verwijs ik den lezer naar de " Ontwikkeling der Nederlandsche letterkunde " met Bloemlezing van Frans Bastiaanse (Nederl. Bibliotheek onder leiding van L. Simons) deel I, pag. 20-21, waar twee van Veldeke's schoonste gedichten met vertaling staan afgedrukt, Ik voeg er nog het volgende bij :

1. Man seit al für war nu manie jar,

diu wip hazzent grawez har (z is s) (iu = ü)

daz ist mir swar;

Sluiten