Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De vereerde vrouw is de meesteresse, de vereerder haar vazal, op trouw en eer tot dienst verplicht, welke dienst weinig anders kan zijn dan vlijtige hofmakerij. Want het heimelijke, dat als het zout van dergelijke verhoudingen gold, sloot reëele prestaties nagenoeg uit. Het was een goedkoope tijd voor de minnaars. De hoofsche minnedienst berust op de natuurlijke verhouding, dat de man werft en de vrouw, die zich zelf moet geven en dus zuinig zijn, schroomvallig inwilligt. De vreugde, die de vrouw schenkt en die, omdat zij er met haar menschelijke persoonlijkheid in betrokken is, niet als een gewoon genotmiddel, maar met eerbied moet genoten worden, wordt onder agrarische verhoudingen beschermd door de strengheid van het huwelijk en de huisvrouwelijke waardigheid der gehuwde. Hier langs heen schuift zich nu een ander aspect, de rechtstreeksche erkenning van haar waardigheid door de sublimeering der tot haar gerichte gevoelens. Daar evenwel de vrouw zich nog meer geëerd acht door sterke, dan door poëtische liefde, en de verliefde man zijnerzijds behoefte heeft aan overdrijving, zocht de conventioneele code der hofmakerij die hevigheid der begeerte in allerlei voorschriften vast te leggen. De minnaar moet beginnen met te bloozen bij de ontmoeting; de eerst gewisselde blik geldt als evenement. Ongeduld, hoop, teleurstelling vormen de ouverture, terwijl na het blijde eerste bedrijf het tweede een terugval moet vertoonen, te wijten aan de te groote koenheid des aanbidders. Een welopgevoed ridder verzuimde ook niet te klagen over bespieders, te schimpen op verklikkers, noch op passende wijze uit te drukken, dat " hooge min hoogen moed geeft ". Vrijwillig ondernomen bravourstukjes, althans onverschrokkendheid in het steekspel, waren de beste bewijzen.

In de poëzie is dat alles kortweg onverdragelijk, maar maatschappelijk werkte het heilzaam en bleef in den kern tot heden van beteekenis. Er ontstond iets als een society, een goede toon

Sluiten