Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XII. De strijd der dertiende en veertiende eeuw

IN ruim de eerste helft der dertiende eeuw neemt het stedelijk leven ook in Holland en Zeeland vaste vormen aan. Naast het oudere Dordrecht, dat bij de tolvesting ontstaan was, verschenen Middelburg, Zierikzee, Deltt, Leiden, Haarlem en Alkmaar als erkende steden, toegerust met een grafelijk privilege, in de eerste plaats het recht gevend op vaste ommuring en op het uitvaardigen van verordeningen door het bestuur. Daar tegenover trok de graaf, die de rechterlijke ambtenaren, schout en schepenen,bleef benoemen, in den een of anderen vorm geldelijke voordeelen.

Tot dien tijd hadden de belangrijkste stedelijke nederzettingen in Noord-Nederland in de oudere gewesten gelegen : Utrecht, Tiel, Nijmegen, Maastricht, Deventer, Stavoren, Groningen. Nu kwamen eerst Zutphen en den Bosch, later Amersfoort, Harderwijk, Kampen, Zwolle, Doesburg, Arnhem, Eindhoven en Roermond erbij.

De middeleeuwsche opvatting was, dat vorst en onderzaten vaste rechten en verplichtingen hadden, die ze ondeiling niet controleerden. Wat de graaf met de opbrengst der tollen, boeten en domeinen uitvoerde, ging den ingezetenen niet aan. Voor het begrip der Europeesche geschiedenis is deze grondslag der regeeringsoppermacht de basis. Wat de steden boven het vanzelf verschuldigde nog opbrachten, dat waren beden , concessies aan de met alle rechtsvormen spottende noodzakelijkheid, doch steeds in het gewaad van vrijwillige gaven, dus ook al onherroepelijke en onnavraagbare geschenken. Omgekeerd behoefde de graaf zich volstrekt niet te bekommeren om particuliere belangen, hoe gewichtig ook. Maar de steJelijke ontwikkeling voerde toch

Sluiten