Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De economische veranderingen, die de maatschappij onderging, maakten dat voor hen uiterst wenschelijk.

De steden schijnen in het algemeen als handelsmiddelpunten ontstaan te zijn en de oudste organisaties binnen haar muren waren kooplieden.Van de straat af gezien moesten echter de ambachtslieden, zoo noodzakelijk ook voor de landelijke omgeving, wel den grootsten indruk maken, reeds door hun aantal. Al die lieden moesten leven. Zij hingen af van de vraag naar hun diensten door stedelingen en bezoekende boeren, en van de mogelijkheid zelf levensbenoodigdheden tegen billijke prijzen te verkrijgen. Zoo ontstond in elke stad een economisch evenwicht, dat door overheidsvoorschriften op den arbeid nog bovendien in stand gehouden werd. De stille stichters der steden echter, de kooplieden, bleken op den duur zelfzuchtige heerschers te zijn. In het bezit van meer geld dan de brave ambachtsmannen, konden zij op den duur grootere hoeveelheden waren tegen lager prijzen produceeren, en drongen aldus den ambachtsman terug tot de positie van huisarbeider of loonknecht. Dat ging niet altijd snel, maar het ging altijd, het gauwst waar het meest te doen was. De verliezende partij poogde zich door het opeischen en handhaven van allerlei gildebepalingen, bijvoorbeeld op het aantal knechts, dat een meester hebben mocht, tegen dit onafwendbaar proces te weren. De aristokraten, wars van alle belemmeringen, werkten natuurlijk in andere richting en trachtten zoo mogelijk de vorming van werkliedengilden te beletten. Al is dat op den duur ook niet gelukt, het economische proces zelf was door geen politiek ingrijpen tegen te houden.

In de veertiende eeuw zien wij meer en meer de klassetegenstellingen de maatschappij beheerschen. De stedelijke arbeiders verbroederden zich met de boeren, de adel met het patriciaat. Het niet bepaald kiesch optreden der volkspartij, haar losgebroken vijandschap tegen de feodale traditie, dreef gewoonlijk den graaf

Sluiten