Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toevallige persoon des vorsten. Wat hem juist ergert, is de lichtzinnige manier, waarop de graaf soms beslissingen neemt. Voor elk besluit, meent hij, moest een ingewikkeld formulier bestaan, en meer dan één handteekening noodig zijn — de bureaucratie ingeroepen als waarborg tegen willekeur. Edelen ziet hij liefst niet in 's graven raad; die moeten maar soldaat zijn. Juridisch gevormde koppen, ziedaar wat de tijd noodig heeft; bitter beklaagt hij zich over de dwazen, die de ethica als rechtsnorm willen gebruiken. " Waar de ethica ophoudt ", snauwt hij hun toe, " begint de rechtspraak. " Wij gaan thans gebukt onder de toepassing van dat beginsel.

Kind van zijn eeuw is hij in zijn vijandschap tegen gilden en stedenrechten. Alles wat de rustige uitoefening der vorstenmacht kan schaden staat hem tegen. Zoo mag de stad het platteland niet in zijn nering belemmeren. Het is geen billijkheidsgevoel, dat hem hiertoe drijft; de onvrijheid wil hij uitdrukkelijk in stand houden, omdat de boer anders niet bij den ploeg blijft en omdat de vrijheid weinig waarde heeft, als ieder die bezit. Hij kant zich eenvoudig tegen elke zelfstandige macht naast die van den vorst. Zelfs de geestelijkheid, waartoe hij behoort, en die hij hooger dan de engelen acht, daar een engel het wonder der transsubstantiatie (in de mis) niet vermag uit te lokken, moet in wereldlijke zaken gehoorzamen. Ze is vrij van belastingen, maar behoort toch voor elk bepaald geval vrijwillige bijdragen te leveren. Wij zouden zeggen : een zakelijke belasting, geen persoonlijke. Zoo verzoent de jurist den geestelijke met den vorstendienaar.

Het aardigst is evenwel zijn standpunt in zake het ius de non evocando, het recht niet voor een ander dan den wettelijk aangewezen rechter te hoeven verschijnen. Het opzijschuiven van dit recht ten bate eener centralisatie van gewestelijke besturen vormt een der hoofdstrijdpunten in de volgende eeuw. De vorstendienaar vermoedt daarvan nog niéts. Hij denkt zich de

Sluiten