Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AANTEKENINGEN

1 Men zie over de kwestie der methoden uitvoerig: 'Stern, Differentielle Psychologie. Lpz. 1921, 3e dr.

Samenvattend: W. O. Döring: Pedagogische Psychologie. Osterwieck, 1931.

2 Er bestaan verschillende van dgl. ..Beobachtungsbogen", bv MarthaMuchow: Anleitung zur psychologiseren Beobachtung von Schulkindern. Lpz. 1931, 7e dr., en Hermann Rebhuhn: Entwurf eines psychographischen Beob. bog. für begabte VolksschiÜer: dito, 1918 Beide ook in grote hoeveelheden verkrijgbaar. Voor de puberteit is mij iets van vergelijkbare waarde •niet bekend.

3 Deze getallen zijn ontleend aan Luning Prak : De ' school in cijfers. Gron. 1933. Uitvoerige gegevens in de

•V publicaties van de afd. Onderwijs van het Bureau voor Statistiek te Den Haag.

4 Vgl Ormian: Das schlussfolgernde Denken des Kindes. Wien—Bln.—Lpz. 1926. Zie verder mijn: Taal en Denken, Gron. 1934, Hfdst III en daar genoemde htt.

5. Men zie het in de htteratuurlijst genoemde werk van Reininger.

6. Hieruit vloeit voort, dat het om opvoedkundige redenen wenselijk, zijn kan een kind, dat moet doubleeren, dit in de tweede klas te laten doen,

7 Dat de toestanden in dit opzicht nog aUesbehalve roos" kleurig zijn btijkt wel uit hetgeen Alice Ruhle-

G e r s t e 1 in Das Frauenproblem der Gegenwart (Hirzel Lpz.) over de bronnen der sexuele intichting van kinderen meedeelt. Voor het overige zij de lezer van dat boek voor zekere „mistekening" gewaarschuwd. Vgl. ookFréDomisse: Waren wij kinderen? Rotterdam 1934, 2e dr., blz. 13. 8. Zie K o h n s t a m m : De neutratiteit van ons openbaar onderwijs, in: Individu en gemeenschap. Den Haag 1930. VgL ook mijn: Taal en Denken. Gron. 1934, blz 133 vlg.

Sluiten