Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 21 Mei 1900. Opzet.

Het opzet tot de daad sluit dat betreffende de noodzakelijke gevolgen in.

K.B. is requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 1 Febr. 1900, waarbij is bevestigd een vonnis, den 15 Dec. 1899 door de Arrond.Rechtbank te Winschoten in deze zaak gewezen, voorzoover daarbij de req. is schuldig verklaard aan opzettelijke en wederrechtelijke beschadiging van eenig goed, dat geheel aan een ander toebehoort en hij te dier zake, met toepassing van art. 350 Strafrecht, is veroordeeld.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op het middel van cassatie, door den req. voorgesteld bij memorie, bestaande in schending door verkeerde toepassing van art. 350 Strafrecht en schending van art. 424 van datzelfde Wetboek door niet-toepassing, vermits op het door den req, gepleegde feit alleen laatstgenoemd artikel van toepassing is;

Overwegende dat blijkens het beklaagde arrest den req. is telastgelegd „dat bij op Zaterdag 14 Oct. 1899 te TerApelkanaal, gemeente Vlagtwedde opzettelijk en wederrechtelijk het door hem bevaren wordend ijzeren schip, welks roer hij bediende, heeft doen varen in den boeg van het schip van M. B. de G., aan dezen, althans aan een ander dan hem, bekl., toebehoorend, tengevolge waarvan laatstbedoeld schip in den boeg een gat heeft bekomen van ongeveer % MV'; dat deze telastlegging zoowel in eersten aanleg als in hooger beroep bewezen is verklaard, en dientengevolge de req. is schuldig verklaard en veroordeeld;

O. dat alzoo in cassatie vaststaat, dat door eene wederrechtelijke daad van den req. — te weten het doen varen van een door hem bestuurd schip in den boeg van een ander vaartuig — schade is toegebracht aan goed toebehoorend aan een ander, en zulks noodzakelijkerwijs, vermits het invaren van den boeg van een vaartuig dit laatste noodwendig beschadigt, terwijl bovendien uitdrukkelijk beslist is, dat een groot gat in dien boeg door de invaring is ontstaan;

dat tevens is beslist dat deze noodwendig beschadigende daad is gepleegd opzettelijk;

O. dat waar eene opzettelijk gepleegde daad noodzakeüjk schade toebrengt, het opzet tot haar insluit het opzet tot de van haar onafscheidelijke beschadiging;

dat uit dit een en ander volgt, dat het ten laste van den req. bewezen

1