Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de afgedrevene vrucht eene levende was, ook geweten zou moeten hebben dat de vrucht leefde.

Terecht m. i. wordt deze leer, bij het Gerechtshof voorgedragen, en ook tot grondslag strekkende aan het eenig cassatiemiddel — Schending of verkeerde toepassing van artikel 297 Strafr., eerste lid, door, ofschoon niet wettig en overtuigend bewezen verklarende dat de beklaagde, toen zij de op van D. als bewezen aangenomen handelingen pleegde, wist dat de vrucht waarvan deze vrouw zwanger was, leefde, beklaagde schuldig te verklaren aan het bij art. 297 Strafr. omschreven misdrijf — in het arrest, waarvan beroep, bestreden.

Het opzet en de objectieve wetenschap omtrent het betrokkene element van het strafbaar feit staan toch naast elkander en tusschen beide bestaat slechts een negatief verband in zooverre als opzet tot het plegen van een feit, waarvan de dader weet dat het niet gepleegd kan worden, onbestaanbaar is. Ik kan niet den wil, het opzet, hebben iemand te dooden dien ik weet dat niet meer leeft, iets te stelen dat ik weet aan mij zeiven toe te behooren, te helen wat ik weet dat niet door misdrijf- verkregen is.

Maar ik kan zeer goed dien wil, dat opzet hebben indien ik mij voorstel dat het object mijner handeling de eigenschappen bezit die onmisbaar zijn voor het volvoeren van hetgeen ik beoog. Zijn die eigenschappen in werkelijkheid niet aanwezig, dan faalt de uitvoering, echter niet omdat mijn opzet niet bestaanbaar, maar omdat het niet uitvoerbaar was.

Dat de dader niet treffen kon, sluit niet uit dat bij meende te kunnen treffen, en daarom treffen wilde. De wetenschap die men verlangt, kan dus nimmer anders zijn dan subjectieve wetenschap.

Bij pleidooi werd een beroep gedaan op de parafraseering van opzettelijk handelen in de Memorie van toelichting tot ons strafwetboek; het teweegbrengen van de verbodene handeling willens en wetens, maar daaruit kan niet worden afgeleid noodzakelijkheid van objectieve wetenschap omtrent alle elementen.

Willens en wetens kan niet beteekenen: willende en wetende dat het gewilde bereikt kan worden; het weten betreft niet de deugdelijkheid van het object der gewilde handeling, maar de klare voorstelling van het object van den wil, het bewustzijn van hetgeen gewild wordt.

De pleiter voor de requirante achtte zich voorts sterk in zijn betoog omdat hij meende in het arrest van den Hoogen Raad, waarbij de zaak vroeger verwezen werd (zie W. 8510), steun voor zijne opvatting te vinden.

De Hooge Raad overweegt dat bij het (vernietigde) arrest „in afwijking van hetgeen door de Rechtbank stellig bewezen is verklaard, n.1. dat de requirante opzettelijk een levende vrucht heeft afgedreven en dus, dat zij hare handelingen pleegde wetende dat de vrucht nog leefde en de afdrijving dier levende vrucht beoogende, alleen als bewezen wordt aangenomen dat de requirante het opzet had om de vrucht, hetzij dood hetzij levend, naar gelang het geval zich mocht voordoen, af te drijven".