Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Hooge Raad, enz.;

Gelet op de middelen van cassatie, namens den requirant voorgesteld bij pleidooi:

I. Schending van de artt. 211, 214, 216, 221, 223, 239 en 247 Strafv. j°. art. 289 Strafr., o.a. doordat 's Hofs arrest niet, althans onvoldoende met redenen is omkleed ten aanzien van het bewezen verklaarde feit, dat de requirant in cassatie „te Amsterdam met voorbedachten rade M.M van het leven heeft beroofd ";

- Overwegende, dat bij het bestreden arrest van het den requirant bij de inleidende dagvaarding te laste gelegde, met des requirants schuld daaraan wettig en overtuigend bewezen is verklaard: dat hij te Amsterdam in het laatst van Sept. 1910 opzettelijk en met voorbedachten rade M. M., huisvrouw van W. M. van bet leven heeft beroofd enopzettelijk en met voorbedachten rade heeft gepoogd W. M. van het leven te berooven doordat hij, na vooraf het voornemen te hebben opgevat en het besluit te hebben genomen W. M. voornoemd van het leven te berooven, ter uitvoering van dat misdadig voornemen en met het oogmerk om hem en het opzet om ook andere personen, die van de taart mochten eten, te dood en, op 28 Sept. 1910 te Haarlem eene letale hoeveelheid arsenictrioxyde (rattenkruid) zijnde een voor hem, die het inneemt levensgevaarlijk vergift, hetwelk bij voor dit doel uit Hoorn had medegenomen, heeft gedaan in eene door hem te Haarlem gekochte taart, welke aldus vergiftigde taart hij op dienzelfden dag te Amsterdam per van Gend en Loos en Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij heeft verzonden aan het adres van „den heer M., marktmeester, Groote Oost te Hoorn", en welke taart aan dat adres den 29 Sept. 1910 is bezorgd en aangenomen en van welke taart hij, beklaagde, allen grond had aan te nemen, dat door W. M. en zijne huisgenoote M. M. voornoemd zoude worden gegeten, en waarvan inderdaad in den namiddag van gemelden 29 Sept. 1910 door die vrouw is gegeten, met het gevolg dat zij den 30 Sept. 1910, tengevolge van arsenicumvergiftiging is overleden, zijnde alleen tengevolge van de van zijn, beklaagdes, wil onafhankelijke omstandigheid, dat W. M. niet van de taart heeft gebruikt, deze niet overleden;

dat in het bestreden arrest deze feiten zijn gequalificeerd en te dier zake straf is opgelegd als aan het hoofd van dit arrest is vermeld;

O. alsnu ten aanzien van het eerste middel:

dat dit blijkens de toelichting hierop steunt, dat, terwijl vaststaat, dat des requirants beweegreden tot zijne daad uitsluitend was zijne begeerte om M. uit den weg te ruimen en bij alleen ter vervulling dier begeerte zijn plan tot toezending eener vergiftigde taart aan dien M. uitdacht en voorbereidde, — toch is aangenomen, dat hij daarbij mede het vergiftigen van de verslagene M. M. huisvrouw M. beoogde en dus ook ten haren opzichte zijne daad met voorbedachten rade pleegde, zulks terwijl de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niets inhouden