Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waaruit die voorbedachte raad ten aanzien van M. M. kan worden afgeleid, wat in het bijzonder niet het geval zou zijn met de in het arrest opgenomen uitlating van den requirant, dat hij — na verzending der taart uit Amsterdam naar Hoorn terugkeerende — in den trein tot de stellige verwachting is gekomen, dat M. M. van de taart zou eten en des ongeacht, schoon het onheil toen nog kon worden voorkomen, niets gedaan heeft om het te voorkomen; — dat toch bewezen werd verklaard, dat de daad te Amsterdam gepleegd werd en dus de voorbedachte raad onmogelijk kan worden afgeleid uit wat de requirant dacht of naliet, nadat hij Amsterdam, na het plegen der daad verlaten had;

dat derhalve het middel geen verdere strekking heeft dan dat het Hof uit de in het arrest opgenomen bewijsmiddelen niet kon en dus ook niet mocht afleiden, dat — niettegenstaande des requirants beweegreden tot zijne daad geen andere was dan zijne begeerte om M. te dooden — toch zijn ter vervulling dier begeerte uitgedacht en uitgevoerd plan, waaruit van zijn voorbedachten raad blijkt, mede betrekking had op de gevolgde opzettelijke vergiftiging van de verslagene M. M.;

O. hieromtrent:

dat in het bestreden arrest zijn opgenomen door het Hof tot bewijs van aanwijzingen gebezigde opgaven van den requirant houdende: „dat hij bij het volvoeren van dat een en ander (te weten het voorbereiden der afzending en afzending der vergiftigde taart), de overtuiging had, dat degene, die van die taart zou eten, sterven zou ten gevolge van vergiftiging door het zich daarin bevindende rattenkruid;

dat hij weet, dat M. was gehuwd en aan bovengemeld adres (waaraan de taart verzonden werd) samenwoonde met M. M., dat hij bij de uitvoering van zijn gemeld plan ook wel aan de vrouw gedacht heeft; dat hij ter voorkoming, dat die vrouw van die taart met den geadresseerde, haar man, medehuisgenoot, zoude eten, niets heeft gedaan," en dan verder: „dat hij in den trein tusschen Amsterdam en Hoorn (namelijk na de verzending der taart uit Amsterdam) tot het duidelijk inzicht en de stellige verwachting is gekomen, dat de vrouw van M. wel van de taart zoude eten; dat hij des ondanks evenwel, hoewel het toen daarvoor nog tijd was, niets gedaan heeft om te voorkomen, dat genoemde M. M. van die taart gebruikte";

dat uit die opgave van den requirant het Hof aanwijzingen kon en dus ook mocht putten voor het bewijs, dat — al was des requirants beweegreden tot zijne daad alleen zijne begeerte om M. uit den weg te ruimen, — toch zijn vooromschreven plan mede omvatte het dooden van die personen, die van de eenmaal bij M. bezorgde taart mochten eten en wel in het bijzonder van de verslagene M. M.;

dat voor wat betreft de boven in de tweede plaats weergegeven opgaaf van den requirant, hieraan niet in den weg staat, dat zij weergeeft wat de requirant na het plegen der daad dacht en naliet, daar in het algemeen