Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te dooden". Dat oogmerk wordt zeer zeker gevorderd, maar het volgt reeds uit het materieele werkwoord dat hier den inhoud van het begrip „opzettelijk" bepaalt."

- De laatste vond ik bij de behandeling van art. 261 Strafr., waarop ik zooeven reeds Uwe aandacht vestigde, toen ik Prof. Simons citeerde, waar deze in het licht stelde, dat ook onze wetgever niet altoos onverbiddelijk streng de scheiding der beide begrippen heeft doorgevoerd en waar laatstgenoemde ter rechtvaardiging zijner redactiewijziging zegt: „Onder „opzettelijk aanranden van eet of goeden naam" is echter het vereischte oogmerk begrepen, evenals onder opzettelijk dooden het oogmerk om te dooden".

Uit dit alles blijkt dus, naar ik meen, duidelijk, dat de begrippen „opzet" en „oogmerk" in verband gebracht met het voltooid misdrijf van „doodslag" of „moord" elkaar dekken, terwijl het gezamenlijk gebruik dier uitdrukkingen eene natuurlijk overbodige en verwarring stichtende tautologie zijn zou.

Met hoeveel genoegen ik echter den geëerden pleiter heb aangehoord en de door hem ontwikkelde beschouwingen heb getoetst, toch heb ik mij afgevraagd, of zij — gelet op de redactie der tenlastelegging en van het bewezene — wel practische waarde hebben. Ook die vraag beantwoord ik ontkennend. De zinsnede „met het oogmerk om" immers geeft alleen het materieel opzet weer, dat bij levensberooving gevorderd wordt, terwijl vervolgens de wijze wordt aangegeven, waarop de voltooiing van het misdrijf geschiedde. In dien zin genomen, is dan de uitdrukking „met het oogmerk om" slechts eene omschrijving van het gevorderd formeel opzet, niet in de bewoordingen, die de wet daarvoor bezigt, waartoe trouwens geen enkele bepaling dwingt, doch in termen, waarin de elementen gevonden worden — formeel zoowel als-materieel opzet dus — waaruit het misdrijf is samengesteld.

De Hooge Raad enz.;

Overwegende ten aanzien van het eerste middel:

dat het Gerechtshof, van het in de eerste plaats gestelde bewezen heeft verklaard, „dat beklaagde ........ met het oogmerk om H. v. d. P.

van het leven te berooven, genoemden v. d. P. met een stomp voorwerp met zoodanige kracht op- en ter hoogte van het hoofd heeft geslagen, dat genoemde v. d. P. aan de door dat slaan veroorzaakte verwondingen is overleden", en dit aldus bewezene als doodslag heeft gequalificeerd;

dat de requirant nu bij het middel beweert, dat het Hof dientengevolge heeft beslist, dat het misdrijf van doodslag aanwezig zou kunnen zijn, zonder dat de handeling, die den dood van den verslagene tengevolge heeft, opzettelijk, dat is willens en wetens, door den dader zou zijn verricht;

dat het Hof evenwel het bovenstaande bewezen verklarende en strafbaar