Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoodanige klievingen van zijn hersenmassa, dat hij, B., dientengevolge eenige oogenblikken later is komen te overlijden;

dat dit bewezen verklaarde feit is gequalificeerd en requirant deswege is veroordeeld gelijk hierboven is vermeld;

O. dat tegen deze uitspraak het middel van cassatie is gericht en schending, althans verkeerde toepassing der in dat middel aangehaalde wetsartikelen is betoogd, omdat het Hof niet zou hebben aangewezen waarin de schuld van requirant aan het ongeval zou bestaan en dat het ongeluk door dezen had kunnen worden voorkomen, daar het bestreden arrest in het midden laat op welke wijze de botsing tusschen B. en de auto is ontstaan, maar alleen zegt, dat B. door in aanraking te komen met het motorrijtuig is gedood, zoodat volgens de leer van het Hof ook wanneer gezegde B. tengevolge van een ongeluk van den wagen waarop hij zat, met zijn hoofd tegen de voorbijgaande automobiel was gevallen en daardoor gedood de schuld van beklaagde aan dien dood zou volgen;

O. hieromtrent:

dat de beslissing van het Hof in het middel onjuist is weergegeven, daar in het arrest niet alleen is beslist, dat B. door in aanraking te komen met het door requirant bestuurde motorrijtuig verwondingen heeft verkregen tengevolge waarvan hij eenige oogenblikken later is komen te overlijden, maar dat daarin tevens is overwogen, dat requirant oorzaak is geweest, dat B. met het motorrijtuig in aanraking kwam en wel door eene in het arrest nauwkeurig vastgestelde handeling zijnerzijds — in het kort: het aan de rechterzijde voorbijrijden van een ingehaald voertuig zonder te remmen of vaart te verminderen — van welke handeling tevens wordt gezegd, dat zij was verregaand roekeloos en onbesuisd en door de Motor- en Rijwielwet en het Motor- en Rijwielreglement verboden;

dat nu het Hof aldus oordeelende niet alleen heeft te kennen gegeven, dat de dood van B. het gevolg is geweest van eene handeling van requirant, verboden bij de Motor- en Rijwielwet en het Motor- en Rijwielreglement, maar tevens, dat diens handelwijze was verregaand roekeloos en onbesuisd, — eene beslissing^ die als van feitelijken aard in cassatie onaantastbaar is — en waarin mede is gelegen een uitspraak omtrent de schuld van requirant aan hetgeen hem ten laste is gelegd en bewezen verklaard;

dat mitsdien de grief, dat het arrest niet zou hebben aangewezen waarin de schuld van beklaagde aan het ongeval zou bestaan, ongegrond is, terwijl het tot toelichting van het middel aangevoerde betoog, dat hetgeen bewezen is verklaard niet zou bevatten de constitutieve elementen van schuld in art. 307 Strafr. gevorderd al evenmin juist is;

dat toch de uitdrukking „schuld" in dat artikel omvat eene min of meer grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onachtzaamheid of nalatigheid, en deze onvoorzichtigheid zeker kan worden aangenomen bij iemand van wien bewezen is verklaard, dat hij verregaand roekeloos en onbesuisd en in strijd met de op dat stuk bestaande wettelijke voorschriften handelde;