Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„b. onder de benaming" enz.,

terwijl volgens art. 344 overtreding van deze bepaling wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden;

O. dat het middel, voor zoover daarbij wordt beweerd, dat niet is onderzocht of de feitelijke dader strafrechtelijk niet aansprakelijk is in dien zin: dat hij slechts als een werktuig was in de hand van den beklaagde, den eigenlijken dader, feitelijken grondslag mist, wijl blijkens vorenaangehaalde overweging van het vonnis te dien aanzien zeer zeker een onderzoek heeft plaats gehad en door de bewezenverklaring van het ten laste gelegde tevens een beslissing is gevallen;

O. echter dat volgens de bovengemelde toelichting van het middel, kennelijk bedoeld is te betoogen, dat de feitelijke dader, ook al wordt bij hem niet de minste schuld gevonden, reeds onder de bepaling van gemeld art. 303 valt, zoodat hier van doen plegen geen sprake kan zijn, wijl dit immers alleen kan worden aangenomen, als hij, die handelde, niet strafbaar is;

O. hieromtrent:

dat in de omschrijving van het volgens voormelde artikelen strafbare feit wel niet uitdrukkelijk is vermeld, dat bij hem, die dit feit pleegt, althans eenige schuld aanwezig moet zijn, doch hieruit geenszins mag worden afgeleid, dat bij geheel gemis van schuld de bepaling nochtans van toepassing is;

dat toch niets, bepaaldelijk niet de geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, er toe dwingt om aan te nemen, dat bij het niet-vermelden van schuld als element in de omschrijving van een strafbaar feit, in het bijzonder van een overtreding, onze wetgever het stelsel huldigt, dat bij gebleken afwezigheid van alle schuld niettemin strafbaarheid zou moeten worden aangenomen, tenzij er een grond tot uitsluiting daarvan in de wet mocht zijn aangewezen;

dat om deze tegen het rechtsgevoel en het — ook in ons strafrecht gehuldigde — beginsel „geen straf zonder schuld" indruischende leer te aanvaarden, de noodzakelijkheid daarvan uitdrukkelijk uit de omschrijving van het strafbare feit zou moeten volgen, hetgeen ten deze niet het geval is;

dat mitsdien de Rechtbank, na in de voormelde overweging van haar vonnis blijkbaar feitelijk te hebben uitgemaakt, dat getuige D. zonder eenige schuld heeft gehandeld, terecht heeft beslist, dat bij in dezen willoos werktuig was en de beklaagde alzoo het ten laste gelegde in den zin van art. 47, 1° Strafr. heeft doen plegen, zoodat het middel niet tot cassatie kan leiden;

O. ambtshalve:

dat de qualificatie niet kan worden gehandhaafd, daar zij ten aanzien van een middellijken dader evenzoo moet luiden als ten aanzien van een dader, die zelf bet feit pleegde;