Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voormelde kamers mede te brengen en voormelde pijpjes op die kamers te laten liggen, zelfs ze achter te laten in voormeld perceel, toen appellant die kamers voorgoed verliet, terwijl appellant toch wist de groote gevaren, aan deze voorwerpen verbonden, speciaal voor ondeskundige personen, hebbende een en ander ten gevolge gehad, dat, toen genoemde werklieden voor het verrichten van karweitjes in voormeld perceel werkzaam waren gesteld, W. voormeld zulk een pijpje, dat als raampen was in gebruik genomen door een der vroegere bewoonsters van gemeld perceel, opnam en daarin — geheel onbekend als W. voormeld was met de werkelijke bet eekenis van dit voorwerp, onderdeel tot handgranaten — met een naald ging peuteren, zijnde terstond daarop dit slagkwikpijpje ontploft, waardoor voormelden W. een of meer vingers of leden daarvan van de hand werden afgeslagen en W. het gebruik van die hand voor goed zal moeten missen, althans zeer lang, terwijl voormelde B. in een der oogen werd ver- en gewond, zijnde beide werklieden sedert voortdurend in de onmogelijkheid geweest om hunne gewone dagelijksche en beroepsbezigheden te verrichten, althans te verrichten als voorheen;

O. dat de Krijgsraad, bij op 2 Sept. 1920 gewezen vonnis, op grond van de bewijsmiddelen, in het vonnis genoemd, het aan appellant te laste gelegde wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, gelijk dat in het vonnis als bewezen is aangenomen, alsmede appellant's schuld daaraan; het aldus bewezen verklaarde heeft gequalificeerd als: „Door schuld veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel," ten aanzien van W. en van „zoodanig lichamelijk letsel, waaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening zijner beroepsbezigheden ontstaat" ten aanzien van B., en appellant te dier zake heeft veroordeeld tot eén maand hechtenis, met bevel, dat de opgelegde straf niet zal worden ondergaan, tenzij de Krijgsraad later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van vijf jaar heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, of, aan de krijgstucht onderworpen zijnde, aan eene ernstige overtreding tegen de krijgstucht, of zelfs aan eene lichte zoodanige overtreding, indien deze tevens een strafbaar feit oplevert; voorts met bepaling, dat de veroordeelde tot vergoeding der schade, door F. W. W., oud 47 jaren, wonende te 's-Gravenhage, geleden, aan dezen gedurende de eerste drie jaren van den proeftijd zal betalen een bedrag van ƒ 2 per week, en met vrijspraak van appellant van hetgeen hem meer of anders is te laste gelegd dan als bewezen is aangenomen;

O. dat uit het onderzoek, zoo in eersten aanleg als in hooger beroep, is komen vast te staan:

dat appellant, ten tijde dat hij werkzaam was aan de handgranatenschool te Waalsdorp, gedurende ruim een jaar heeft bewoond een door hem gehuurde zit- en slaapkamer op de eerste étage in het perceel enz., te 's-Gravenhage; dat in de zitkamer geen kasten, die konden worden afgesloten, maar in de slaapkamer twee van dergelijke kasten zich be-