Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vonden; dat appellant naar die kamers wel heeft medegebracht ongevaarlijke onderdeelen van handgranaten voor studie-doeleinden en hij dan die onderdeelen legde op verschillende plaatsen in de zitkamer, ook wel ze aldaar hing tegen den wand; dat hij, omstreeks Oct. 1919, op een dag thuis komende van de handgranaten-school, in den zak van zijne tuniek heeft gevonden twee pijpjes, gevuld met slagkwik, onderdeelen van handgranaten, welke gevulde pijpjes, zooals hem bekend was, in handen van niet ter zake kundigen zeer gevaarlijk zijn, omdat zij, bij verkeerde behandeling, licht ontploffen en dan groote schade kunnen aanrichten; dat hij deze pijpjes eerst heeft gelegd op een bakje op zijn schrijftafel en daarna ze heeft geplaatst in een open vaasje, staande op den schoorsteenmantel in zijne zitkamer; dat bij de volgende dagen geen dienst had aan de handgranaten-school en hij, toen hij daarna weer naar die school ging, en ook later, aan de pijpjes, die hij in het vaasje had gelegd, niet meer heeft gedacht; dat appellant nog tot ongeveer begin Jan. 1920 de kamers in bovengenoemd perceel is blijven bewonen en vervolgens naar Leiden is verhuisd om eene nieuwe bestemming te volgen; dat bij ook bij zijne verhuizing aan de pijpjes niet heeft gedacht en die dan ook niet van de kamer heeft verwijderd; dat na de verhuizing van appellant de kamers, door appellant tot dien tijd bewoond, zijn afgesloten en gedurende eene maand onbewoond zijn gebleven; dat omstreeks Febr. 1920 de bedoelde pijpjes in het vaasje op den schoorsteenmantel in de zitkamer door de getuige H. P., dochter van de na Oct. 1919 overleden kamerverhuurster, nog zijn aangetroffen; dat deze getuige, omdat zij toen ging verhuizen en het haar toebehoorend vaasje wenschte mede te nemen, de pijpjes uit het vaasje heeft genomen en op den schoorsteenmantel in de zitkamer heeft nedergelegd; dat zij vervolgens is verhuisd met medeneming van haren geheelen inboedel, en de zitkamer onbewoond en ongemeubileerd bleef; dat na die verhuizing het genoemde perceel nog enkel in gebruik bleef bij de getuige van M., die daar niet woonde, maar als masseuse, in een benedenvertrek in dat perceel hare patiënten en leerlingen in heilgymnastiek ontving; dat deze getuige, eenigen tijd later, omdat zij bemerkt had, dat in het keukenraam een raampin mankeerde, bang zijnde voor inklimming door dit raam en wegneming van de haar toebehoorende in het onbewoonde perceel aanwezige toestellen en goederen, een van de twee pijpjes, welke zij had vinden liggen in de vensterbank in de keuken, heeft gestoken in het keukenraam om daar als raampin dienst te doen; dat deze getuige omstreeks 18 Mei 1920 hare in het meergenoemde perceel aanwezige toestellen en goederen naar elders heeft laten overbrengen met behulp van twee werklieden — de getuigen W. en B. — daartoe te harer beschikking gesteld door den eigenaar van dat perceel; dat die eigenaar aan den getuige W. had opgedragen, tevens inspectie te houden van deuren en ramen in het perceel; dat deze getuige, daartoe in de keuken aanwezig,