Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. dat die beginselen zijn neergelegd o.a. in de artt. 1283 en 1284 B. W., waar voor het aannemen van causaliteit als voornaamste, in alle gevallen geldende eisch wordt gesteld, dat het ingetreden gevolg onmiddellijk en dadelijk —■ dus rechtstreeks — uit de handeling zij voortgevloeid;

O. dat bij~de toepassing'van deze beginselen op dit geval geene rekening behoeft te worden gehouden met de bovenomschreven handelingen van den getuige W. of van de getuige van M.; dat immers deze getuigen het pijpje hebben gehanteerd als raampin, zonder zelfs te kunnen vermoeden dat het een slagkwikpijpje, onderdeel van een handgranaat, was, en aan dit aldus hanteeren eenig gevaar verbonden kon zijn; dat daarom hunne handelingen moeten worden geacht met betrekking tot de causaliteit van de ontploffing zonder beteekenis te zijn; Kt

O. dat hetzelfde geldt voor de handeling van de onbekend gebleven persoon, die na de verhuizing van getuige P. de slagkwikpijpjes heeft overgebracht van de kamer, te voren door appellant bewoond, naar de keuken; dat immers de bewoners van het huis, die iets van de pijpjes konden afweten, allen het huis voor goed hadden verlaten zonder zelfs aan de getuige van M., de gebruikster van de benedenverdieping, iets over die pijpjes te zeggen, terwijl de bovenverdieping voorshands onbewoond bleef; dat het daarom als uitgesloten moet worden beschouwd,' dat deze onbekende in de pijpjes iets anders heeft gezien dan onschadelijke voorwerpen, gewone afval van eene verhuizing, dat moest worden opgeruimd;

O. dat echter de vraag rijst, of met betrekking tot de causaliteit van de ontploffing niet van overwegende beteekenis is de bovenomschreven handeling van de getuige P., of n.1. niet deze getuige, dochter van de kamerverhuurster en mede met de bediening van appellant, toen deze de kamers bewoonde, belast, voldoende gegevens had om te moeten aannemen, dat in de pijpjes eenig gevaar school en wel gevaar voor ontploffing, waarbij het er overigens niet toe doet, of zij de omstandigheden gekend heeft, waaronder ontploffing zou kunnen volgen, en of Zij van den aanvang van het gevaar zich eene duidelijke voorstelling heeft kunnen maken;

O. dat, moet deze vraag worden beantwoord in bevestigenden zin, moet dus de handeling van deze getuige met de pijpjes als een eigen bewuste handeling worden aangemerkt, alsdan na die handeling uit de daad en gedraging van appellant onmiddellijke en dadelijke gevolgen niet meer konden voortvloeien, vermits alles wat in het ledige huis met die buisjes mocht gebeuren als onmiddellijk en dadelijk gevolg enkel nog kon voortvloeien uit de handeling van getuige P. — het achterlaten van de haar als gevaarlijk bekende buisjes in het door haar verlaten huis —, tot welke handeling de omstandigheid, dat appellant de pijpjes in het vaasje had gelegd en ze daar na zijne verhuizing had laten liggen, dan alleen de aanleiding heeft gevormd;