Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat betreffende het bewezen verklaarde doen vervoeren in het vonnis wordt overwogen, dat „waar genoemde S. onbekend was met voormeld verbod van vervoer, deze moet geacht worden te zijn geweest een werktuig in handen van beklaagde", welke overweging kennelijk is gegrond op de in het vonnis opgenomen getuigenverklaring van genoemden chauffeur „dat hij niet wist hoe groot het gewicht was van automobiel en vracht; dat hij evenmin wist, dat het bij Politieverordening van Middelburg verboden was met een vrachtautomobiel een vracht te vervoeren, welke, met het gewicht van het voertuig inbegrepen, grooter was dan 3000 K.G.";

O. dat hiermede echter de bewezenverklaring dat beklaagde door genoemden S. heeft „doen vervoeren" niet is gerechtvaardigd, waar immers uit niets blijkt, dat bedoelde chauffeur, de materieele dader, ten deze moet worden beschouwd als een strafrechtelijk niet aansprakelijk tusschenpersoon, gelijk toch voor het doen plegen in den zin van art. 47 Strafr. is vereischt; dat in het bijzonder zulks niet volgt uit hetgeen de Kantonrechter overweegt ten aanzien van de onbekendheid van den chauffeur met de hier geldende verbodsbepaling;

dat toch, zoo er al omstandigheden denkbaar zijn, waarin het niet kennen der verbods- of strafbepaling de strafrechtelijke aansprakelijkheid zou wegnemen, zulks toch zeker niet zonder meer het geval is, wanneer een chauffeur in dienst van een onderneming niet op de hoogte is van de ter plaatse voor het vervoeren van vrachten met automobielen geldende verbodsbepalingen;

O. dat bierdoor art. 221 Strafv., junctis artt. 253 Strafv. en 47 Strafr., is geschonden en het door het Kantongerecht gewezen vonnis moet worden vernietigd, zoodat een onderzoek naar het voorgestelde cassatiemiddel achterwege kan blijven;

Vernietigt het bestreden vonnis, en

Recht doende krachtens art. 106 R. O.:

Verwijst de zaak naar de Arrond.-Rechtbank te Middelburg ter berechting en afdoening op de bestaande dagvaarding en met instandhouding der gegeven vrijspraak.

W. 11104. Ned. Jur. 1923, bl. 1294.

9 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 19 October 1931. Schuld.

Bij overtredingen wordt bij afwezigheid van alle schuld geen straf opgelegd, tenzij uit de omschrijving van het strafbaar feit uitdrukkelijk de wil van den wetgever blijkt, dat ook bij afwezigheid van alle schuld straf zal worden opgelegd.