Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of houder wordt gebracht in de daar bedoelde gevallen, behalve voor zoover deze aannemelijk maakt, dat van het motorrijtuig tegen zijn wil is gebruik gemaakt en hij dit gebruik niet heeft kunnen beletten.

De Rechtbank trekt daarop uit art. 32 der Motor- en Rijwielwet deze slotsom, dat de schuldvraag, welke bij berechting van een onder bereik der bepaling vallend feit moet worden beantwoord, alleen kan worden gesteld met betrekking tot den feitelijken dader van de gepleegde overtreding. Heeft die feitelijke dader schuld, dan gaat, volgens de Rechtbank, de eigenaar of dader slechts dan vrij uit, indien hij geacht mag worden te verkeeren in het uitzonderingsgeval bedoeld in lid 2 van het artikel. Dit is i. c niet het geval en ook niet beweerd, zoodat verdachte de aansprakelijke persoon is" voor de gepleegde overtreding.

Deze redeneering en gevolgtrekking der Rechtbank komen mij onjuist voor.

De bedoeling van art. 32 blijkt behalve uit de woorden der wet, ook duidelijk uit de geschiedenis der totstandkoming.

Blijkens de Mem. van Toelichting bij het ontwerp 1917, kwam het herhaaldelijk voor, dat overtredingen onvervolgd moesten blijven, daar niet kon worden vastgesteld wie de bestuurder was, hoewel veelal kon worden aangenomen, dat deze wel aan den eigenaar of houder van het motorrijtuig bekend was. Naar het voorbeeld van bepalingen van gelijke strekking in onze wetgeving werd nu in art. 32 ö° 33) een bepaling opgenomen krachtens welke de aansprakelijkheid voor overtredingen van den bestuurder in sommige gevallen bij een ander — den eigenaar of houder — werd overgebracht.

Uit het Voorloopig Verslag der Tweede Kamer blijkt, dat een aantal Kamerleden zich verzet hebben tegen deze bepaling, omdat zij strafrechtelijk moeilijk te verdedigen was, immers de eigenaar of houder kon Zoo veroordeeld worden, zonder dat van eenig opzet of schuld zijnerzijds Zou blijken.

In elk geval wenschten zij, dat aan het tweede lid zou worden toegevoegd: „of dat de bestuurder hem niet bekend was", daar het kon voorkomen, dat de eigenaar niet in staat was den bestuurder bekend te maken.

Dit geval nu doet zich blijkens de door de Rechtbank vastgestelde feiten nier voor.

De Minister kon blijkens de Memorie van Antwoord het bezwaar niet deelen. Inderdaad kan zich, wordt daar vermeld, het geval voordoen, dat de bestuurder den eigenaar niet bekend is, doch uitbreiding van de aansprakelijkheid van den eigenaar eischt, dat deze verantwoordelijk wordt gesteld, indien de bestuurder niet bekend is. De eigenaar moet dan maar zorgen, schreef de Minister, dat hij dit weet of te voren voorzichtiger zijn in het uitleenen of verhuren. Bovendien voorkomt de bepaling van het tweede lid te groote uitbreiding der aansprakelijkheid.

Ik leid daaruit af, dat de Minister veroordeeling wenscht te zien in een