Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geval als het onderhavige — maar toch aanvaardt ook de Minister kennelijk het beginsel: geen straf zonder schuld, want hij verlangt, dat de eigenaar of houder maar had moeten zorgen dat hij wist, wie de bestuurder was, of dat hij voorzichtiger had moeten zijn.

De fictie van aansprakelijkheid op grond van art. 32, nog vermeerderd met — als in dit geval — een tweede fictie van art. 33, moet aanvaard worden. Echter kan ik art. 32 niet lezen als in de Mem. van Antwoord wordt gedaan. Immers, niet alleen door toepassing van lid 2 kan de eigenaar of houder zich bevrijden. M. i. moet deze bepaling aldus gelezen worden:

De eigenaar of houder van het motorrijtuig is aansprakelijk op gelijke wijze als de bestuurder.

Deze aansprakelijkheid vervalt:

1. Indien bekend is, welke bestuurder de overtreding pleegde.

2. Indien de eigenaar of houder den bestuurder bekend maakt op eerste aanmaning.

3. Indien de eigenaar of houder aannemelijk maakt, dat van het rijtuig tegen zijn wil is gebruik gemaakt, en hij dit gebruik niet heeft kunnen beletten.

In het eerste geval vervalt de aansprakelijkheid van den eigenaar of houder, zelfs buiten zijn toedoen, in het derde geval, wanneer hij aantoont geen schuld te hebben aan het gebruik. Moet nu uit het tweede geval volgen, dat hij steeds aansprakelijk is — schuld of niet — wanneer hij den bestuurder niet bekend maakt?

M. i. is deze gevolgtrekking onjuist. Vaststaat dat requirant geen schuld heeft aan het niet bekend maken, zegt de Rechtbank. Welnu, dan moet hij ook niet gestraft worden.

Ik behoef niet te betoogen, dat in de wet niet is opgenomen een algemeen beginsel, waarbij de strafbaarheid bij gebreke van schuld wordt uitgesloten.

Herhaaldelijk is de schuldvraag in Uw arresten ter sprake gekomen, en in de literatuur behandeld. Ik meen daarom niet te uitvoerig te moeten worden. Betoogde Uw Proc.-Gen. Mr. Tak (destijds Adv.-Gen.) in zijn conclusie bij Uw arrest van 7 Jan. 1924 (W. 11158; N. J. 1924,325) dat voor strafbaarheid althans eenige schuld aanwezig moet zijn, zooals die bij elke overtreding moet worden gevorderd, zoo gaf kort daarna Mr. Besier in zijn conclusie bij Uw arrest van 5 Mei 1924 (W. 11218; N. J. 1924,789) een uiteenzetting, waarbij hij wees op de bekende uitspraak van 14 Febr. 1916 (W. 9958; N.J. 1916,681), welke den regel bevat: „geen strafbaarheid bij gebleken gemis aan schuld."

Dit geval doet zich hier voor naar mijne meening, blijkens het bestreden vonnis. Straf zal dan ook niet kunnen worden opgelegd, nu de omschrijving van het strafbare feit in art. 32 niet noodzakelijk medebrengt, de tegen het 'rechtsgevoel en tegen het ook in ons strafrecht gehuldigde